Geen afwaardering onzakelijke (tbs-)lening

Article

Geen afwaardering onzakelijke (tbs-)lening

De Hoge Raad oordeelt dat de fiscale partner van een ab-houder, niet in dezelfde positie verkeert als een ab-houder. Het gelijkheidsbeginsel is derhalve niet geschonden.

11 oktober 2017

Achtergrond

Het leerstuk van de onzakelijke lening is van overeenkomstige toepassing voor geldverstrekkingen die onder de terbeschikkingstellingsregeling vallen. Voor een ab-houder die een lening aan zijn bv verstrekt, waarbij een debiteurenrisico wordt gelopen dat een willekeurige derde niet zou hebben aanvaard, is er (behoudens bijzondere omstandigheden) sprake van een onzakelijke lening. Een afwaarderingsverlies op een dergelijke lening is niet aftrekbaar. Bij kwijtschelding van de lening vormt het verlies wel een informele kapitaalstorting. Als gevolg hiervan wordt de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang verhoogd, waardoor een eventueel later te genieten vervreemdingsresultaat lager wordt.

Recentelijk heeft de Hoge Raad ook geoordeeld over de fiscale gevolgen van het verstrekken van een onzakelijke lening door een natuurlijk persoon aan een vennootschap waarin alleen een met die belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang houdt.

Fiscale partner

Belanghebbende heeft een onzakelijke lening verstrekt aan de bv van haar fiscale partner. Deze lening valt onder de terbeschikkingstellingsregeling. Na het faillissement van de bv heeft zij haar vordering op de bv ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden afgewaardeerd naar nihil. De inspecteur heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het afwaarderingsverlies vanwege het onzakelijke karakter van de lening niet in aftrek kan worden gebracht.

Gelijkheidsbeginsel

Volgens belanghebbende is er sprake van een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen een verbonden persoon die onder de terbeschikkingstellingsregeling valt en een ab-houder die onder deze regeling valt. Een ab-houder die onder de terbeschikkingstellingsregeling kan een onzakelijke lening weliswaar ook niet ten laste van het resultaat afwaarderen, maar wordt bij kwijtschelding van die lening wel gecompenseerd door middel van een verhoging van de verkrijgingsprijs van zijn aanmerkelijkbelangaandelen.

Feitelijk en rechtens verschillend

De Hoge Raad oordeelt dat de omstandigheid dat belanghebbende het verlies op de lening op geen enkele wijze in aanmerking kan nemen, niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Voor de ab-houder die een lening verstrekt in zijn hoedanigheid van aandeelhouder om de belangen van zijn vennootschap te dienen, treden belastinggevolgen op die samenhangen met die hoedanigheid. De partner van de ab-houder aanvaardt het debiteurenrisico vanwege persoonlijke betrekkingen met de natuurlijk persoon die verbonden is met de vennootschap. Dergelijke persoonlijke betrekkingen leiden niet tot een bron van inkomen. De Hoge Raad oordeelt dan ook dat sprake is van gevallen die feitelijk en rechtens verschillend zijn. Slotsom is dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Het geleden verlies op de verstrekte lening kan fiscaal dus niet te gelde worden gemaakt.


Bron: HR 6 oktober 2017, nr. 16/04326, ECLI:NL:HR:2017:2549

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen