Titel - Title

Article

Geen btw-koepelvrijstelling voor financiële en verzekeringssector volgens Advocaat-generaal

Op 1 maart 2017 heeft Advocaat-Generaal Kokott (“de A-G”) van het Hof van Justitie Europese Unie (“HvJ”) haar conclusie genomen in de Letse zaak DNB Banka (C-326/15) en de Poolse zaak Aviva (C-605/15). De A-G concludeert dat de koepelvrijstelling voor samenwerkende groeperingen slechts toepassing kan vinden voor bepaalde activiteiten van ‘algemeen belang’ en niet voor financiële dan wel verzekeringsactiviteiten. Tevens concludeert de A-G dat de koepelvrijstelling niet in grensoverschrijdende situaties toegepast mag worden.

3 maart 2017

English version

Koepelvrijstelling

Lidstaten van de Europese Unie zijn op grond van de Btw-richtlijn verplicht om onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling te verlenen voor diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden. De leden moeten vrijgestelde prestaties verrichten of activiteiten verrichten waarvoor zij geen belastingplichtige zijn. Tevens moeten de prestaties verricht door de zelfstandige groepering direct nodig zijn voor de vrijgestelde prestaties, dan wel niet-belastbare activiteiten van de leden. Tot slot mag de groepering aan de leden slechts terugbetaling vragen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven en mag toepassing van de vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging leiden.

In het verleden heeft het HvJ zich driemaal eerder gebogen over de koepelvrijstelling en de toepassingsvoorwaarden ervan. Momenteel zijn er naast de onderhavige zaken nóg twee zaken aanhangig bij het HvJ die betrekking hebben op de verschillende voorwaarden van de koepelvrijstelling. Dit betreft de zaken Commissie / Luxemburg (C-274/15) en Commissie / Duitsland (C-616/15).


De zaak DNB Banka

DNB Banka is een Letse kredietinstelling die financiële diensten verricht en deel uitmaakt van het DNB concern. DNB Banka heeft financiële diensten, IT-diensten en softwarelicenties afgenomen van groepsvennootschappen welke zowel in de Europese Unie als buiten de Europese Unie zijn gevestigd. De financiële diensten en IT-diensten zijn tegen kostprijs, verhoogd met een opslag van 5%, in rekening gebracht aan DNB Banka.


De zaak Aviva

De Aviva-groep verricht verzekeringsdiensten in Europa. De groep overweegt een aantal centra voor gemeenschappelijke diensten op te richten in geselecteerde lidstaten van de Europe Unie en dit vorm te geven in een Europees economisch samenwerkingsverband (“EESV”). Deze centra zijn bedoeld om diensten te verrichten die de leden van de EESV rechtstreeks nodig hebben voor de uitoefening van hun verzekeringsactiviteiten. Deze diensten omvatten personeelsdiensten, financiële en boekhoudkundige diensten, IT-diensten, administratieve diensten, klantenservice en diensten op het gebied van ontwikkeling van nieuwe producten.


Conclusie A-G Kokott

In de betreffende landen is tussen DNB Banka en Aviva en de lokale belastingautoriteiten discussie ontstaan over de toepassing van de koepelvrijstelling. Derhalve hebben de nationale rechters prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ over het toepassingsbereik van de koepelvrijstelling.

De voornaamste conclusies van A-G Kokott over de gestelde prejudiciële vragen zijn als volgt:

  • De koepelvrijstelling is slechts van toepassing op bepaalde activiteiten van algemeen belang en niet van toepassing op diensten verricht door ondernemingen welke vrijgestelde financiële en/of verzekeringsdiensten verrichten;
  • De koepelvrijstelling is niet van toepassing in grensoverschrijdende situaties;
  • Lidstaten zijn niet vrij om het criterium van verstoring van de mededinging naar eigen inzicht in te vullen. In beginsel moet worden aangenomen dat de oprichting van een groepering niet leidt tot verstoring van de mededinging. Het criterium dat de mededinging niet mag worden verstoord is bedoeld om misbruik te verhinderen. Aanwijzingen dat sprake is van misbruik van de vrijstelling zijn:
    -    De groepering verricht dezelfde diensten tegen betaling aan niet-leden;
    -    Alleen de optimalisatie van de btw-voorbelasting staat op de voorgrond en niet de onderlinge samenwerking;
    -    De groepering verricht geen speciaal op de behoeften van de leden toegesneden diensten;
  • De koepelvrijstelling is niet van toepassing indien er voor een dienst een tegenprestatie wordt betaald die hoger is dan het bedrag van de gemaakte kosten. Er mag dus geen winstopslag worden gehanteerd.


Gevolgen voor de praktijk

De conclusies van de A-G zijn een advies aan het HvJ. Het HvJ zal nog arrest moeten wijzen in de twee zaken.

De conclusies zijn op belangrijke punten niet lijn met de huidige zienswijze en toepassing van de koepelvrijstelling in Nederland.

Indien het HvJ het advies van de A-G zal volgen zal dit verstrekkende gevolgen hebben voor het toepassingsbereik van de koepelvrijstelling in de verzekerings- en financiële sector nu door hen verrichte diensten volgens de A-G zijn uitgesloten van de vrijstelling.

Onder de Nederlandse koepelvrijstelling worden bepaalde diensten als ‘concurrentieverstorend’ aangewezen en derhalve uitgesloten van het toepassingsbereik van de koepelvrijstelling. De wijze waarop Nederland de koepelvrijstelling in de nationale wetgeving heeft opgenomen lijkt mogelijk in strijd met de Btw-richtlijn wat tot gevolg kan hebben dat de Nederlandse koepelvrijstelling verruimd dient te worden.

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen