Geen energie-investeringsaftrek bij overdracht installatie binnen concern | Deloitte

Article

Geen energie-investeringsaftrek bij overdracht installatie binnen concern

De Hoge Raad oordeelt dat verplichtingen aangegaan tegenover een gelieerde vennootschap niet kwalificeren voor de energie-investeringsaftrek.

27 juni 2017

English version

Energie-investeringsaftrek

De energie-investeringsaftrek (EIA) beoogt investeringen in energiezuinige technieken en duurzame energie te stimuleren. Het is een fiscale regeling waarmee financieel voordeel wordt geboden aan ondernemers die bepaalde energiezuinige investeringen doen. Om in aanmerking te komen voor deze aftrekpost dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. Eén van die voorwaarden is dat het bedrijfsmiddel niet eerder gebruikt mag zijn. Ook moet de belastingplichtige binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting een melding doen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Recentelijk heeft de Hoge Raad geoordeeld over het recht op EIA bij de overdracht van een installatie binnen concern.


Warmtekrachtkoppelingscentrale

X BV en Y BV vormen een fiscale eenheid, waarbij X BV de moedermaatschappij is. Eind 2008 is X BV een verplichting aangegaan ter zake van de investering in een warmtekrachtkoppelingscentrale (WKK). Deze investering kwalificeert in beginsel voor de EIA. Echter, de investering is niet binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting gemeld bij de RVO. Daarom heeft X BV geen recht op de EIA. Halverwege 2009 is Y BV ontvoegd uit de fiscale eenheid. De WKK is vervolgens aan Y BV overgedragen, waarna de investering binnen drie maanden is aangemeld. In de VPB-aangifte over het jaar 2009 heeft Y BV voor een bedrag van EUR 468.776 aan EIA geclaimd.

Volgens de inspecteur heeft Y BV geen recht op EIA, omdat sprake is van een verplichting die is aangegaan tegenover een gelieerde vennootschap, waardoor aftrek wettelijk is uitgesloten. De wet voorziet overigens wel in de mogelijkheid om deze beperking buiten toepassing te laten. De voorwaarden waaronder een beroep kan worden gedaan op deze uitzondering zijn opgenomen in een beleidsbesluit. Daaruit blijkt dat EIA toch geclaimd kan worden indien het investeringsgoed binnen de gelieerde verhouding niet eerder een bedrijfsmiddel is geweest. Volgens de inspecteur is echter niet aan deze voorwaarde voldaan.


Bonafide situatie

Hof Den Haag is met de inspecteur van oordeel dat niet aan de voorwaarden in het besluit is voldaan. Het investeringsgoed is immers reeds bij X BV een bedrijfsmiddel geweest. Toch heeft belanghebbende volgens het hof recht op toepassing van de EIA. In dit kader heeft het hof overwogen dat de vervreemdende vennootschap geen EIA heeft geclaimd en dat sprake is van een bonafide situatie. Ook nam het hof in aanmerking dat onderhavige situatie veel overeenkomsten vertoont met een sale-and-lease-back transactie, waarbij recht op toepassing van de EIA bestaat. Sale-and-lease-back is een constructie waarbij een eigenaar een bedrijfsmiddel verkoopt, om deze vervolgens langdurig terug te huren.


Gelieerde vennootschappen

De Hoge Raad komt tot een tegenovergestelde beslissing dan Hof Den Haag en oordeelt dat verplichtingen aangegaan tegenover een gelieerde vennootschap niet kwalificeren voor de EIA. Anders dan het hof heeft aangenomen, is er geen grond om voor niet in het besluit vermelde situaties de EIA toch te verlenen. Dat de EIA slechts eenmaal wordt genoten en dat hier sprake is van een bonafide situatie verandert die conclusie niet. Daarnaast is onderhavige situaties volgens de Hoge Raad niet op één lijn te stellen met een sale-and- lease-back transactie. Slotsom voor belanghebbende is aldus dat geen EIA kan worden geclaimd.


Bron: HR 23 juni 2017, 16/01064, ECLI:NL:HR:2017:1133

Vond u dit nuttig?