Geen fiscale rechtsingang voor intrekking btw-nummer | Deloitte Nederland

Article

Geen fiscale rechtsingang voor intrekking btw-nummer

De Hoge Raad oordeelt dat intrekking van het btw-identificatienummer niet bij voor bezwaar vatbare beschikking geschiedt, zodat geen fiscale rechtsingang openstaat. Ook zonder btw-identificatienummer kan echter een teruggaafverzoek worden ingediend.

17 april 2018

Gesloten stelsel van rechtsbescherming

In tegenstelling tot het algemene bestuursrecht kent het fiscale recht een gesloten stelsel van rechtsbescherming, waarin alleen bezwaar en beroep openstaat tegen belastingaanslagen of voor bezwaar vatbare beschikkingen, zoals een boetebeschikking of verliesvaststellingsbeschikking. Recentelijk moest de Hoge Raad oordelen over de vraag of ook een fiscale rechtsingang openstaat tegen de intrekking van een btw-identificatienummer.

Intrekking btw-identificatienummer

In de betreffende zaak had de inspecteur op 10 maart 2014 aan belanghebbende meegedeeld dat zijn btw-identificatienummer zou worden ingetrokken. In reactie op diens bezwaarschrift heeft de inspecteur aangegeven dat geen fiscale rechtsingang openstaat. Desondanks is hij wel inhoudelijk ingegaan op de aangevoerde bezwaren. In beroep geeft belanghebbende aan dat hij als gevolg van de intrekking van zijn btw-identificatienummer geen belasting op aangifte meer kan voldoen en ook niet langer om teruggaaf van omzetbelasting kan verzoeken. Rechtbank Zeeland-West Brabant heeft echter geoordeeld dat intrekking van een btw-identificatienummer niet bij voor bezwaar vatbare beschikking plaatsvindt. Nu geen fiscale rechtsingang openstaat, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. In verzet blijft de rechtbank bij haar oordeel en overweegt dat de mededeling dat geen btw-identificatienummer wordt toegekend niet kan worden gelijkgesteld met een weigering om teruggaaf van omzetbelasting te verlenen.

Strijd met Unierecht?

In cassatie bestrijdt belanghebbende dit oordeel en voegt daaraan toe dat het ontbreken van de mogelijkheid beroep in te stellen tegen intrekking van het btw-identificatienummer in strijd is met het Unierecht. De Hoge Raad stelt voorop dat het btw-identificatiesysteem primair dient voor handhaving van regels die gelden bij de heffing van omzetbelasting ter zake van intracommunautaire transacties. Voor nationale belastingdiensten is het btw-identificatienummer noodzakelijk voor controledoeleinden. Problematisch is dat nergens wettelijk is geregeld wie bevoegd is om een dergelijk nummer toe te kennen of in te trekken. Gezien de samenhang met de heffing van omzetbelasting, moet volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat de inspecteur het bevoegde bestuursorgaan is en dat de intrekking een ingevolge de belastingwet genomen besluit is. Van een voor bezwaar vatbare beschikking of daarmee gelijk te stellen beslissing is echter geen sprake.

Terzijde merkt de Hoge Raad op dat ook zonder btw-identificatienummer wel degelijk om teruggaaf van omzetbelasting kan worden verzocht, en wel op basis van art. 31, tweede en derde lid, Wet OB 1968. De inspecteur is namelijk verplicht om een ieder die daarom verzoekt uit te nodigen tot het doen van aangifte. Ook is het niet zo dat geen rechtsingang openstaat tegen de intrekking van een btw-identificatienummer. Belanghebbende kan zich namelijk wenden tot de burgerlijke rechter.

Ambtshalve cassatiegrond

Ten slotte overweegt de Hoge Raad dat belanghebbende de reactie van de inspecteur redelijkerwijs als een uitspraak op bezwaar heeft mogen opvatten. De rechtbank had belanghebbende daarom moeten ontvangen in haar beroep. Uiteindelijk baat dit belanghebbende echter niet. Feit blijft dat geen fiscale rechtsingang openstaat tegen intrekking van een btw-identificatienummer. De Hoge Raad doet daarom wat de rechtbank had behoren te doen en verklaart het beroep ongegrond.


Bron: HR 13 april 2018, 16/02939, ECLI:NL:HR:2018:505

Vond u dit nuttig?