Geen splitsingsvrijstelling voor overdracht vastgoedportefeuille | Deloitte Nederland

Article

Geen splitsingsvrijstelling voor overdracht vastgoedportefeuille

De Hoge Raad oordeelt dat de verkrijging van vastgoed door de belanghebbende niet onder de splitsingsvrijstelling valt. De afsplitsing van het vastgoed had als een van de hoofddoelen belastingontwijking.

19 januari 2022

Geen splitsingsvrijstelling voor overdracht van vastgoed

Belanghebbende is een niet-beursgenoteerd vastgoedfonds. Het fonds komt met een Nederlands pensioenfonds (een stichting) overeen om haar vastgoedportefeuille over te nemen. Op 9 augustus 2012 heeft de pensioenstichting haar vastgoedportefeuille middels een (agio)storting ingebracht in een door haar opgerichte besloten vennootschap (bv). Nog diezelfde dag splitst de bv het ontvangen vastgoed af naar belanghebbende en verkrijgt de pensioenstichting aandelen in belanghebbende. Belanghebbende heeft overdrachtsbelasting voldaan ter zake van de verkrijging van het vastgoed, maar heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de op aangifte voldane belasting.

In geschil is of de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting van toepassing is. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was, maar het gerechtshof kwam tot een tegenovergestelde conclusie. Volgens het hof is de transactie op zodanige wijze vormgegeven dat het als hoofddoel het ontwijken van overdrachtsbelasting heeft. Toepassing van de vrijstelling zou dan in strijd komen met doel en strekking van de Fusierichtlijn. Voor de pensioenstichting en belanghebbende heeft een fiscaal zo gunstig mogelijke vormgeving van de transactie voorop gestaan.

Belanghebbende betoogt in cassatie dat de (on)zakelijkheid van de vormgeving van de transactie niet los kan worden gezien van de zakelijkheid van het einddoel van de transactie. De Hoge Raad onderschrijft echter de hofuitspraak onder verwijzing naar de conclusie van A-G Wattel. Die had geconcludeerd dat hoe zakelijk het einddoel ook is, ook de weg ernaartoe overwegend zakelijk moet zijn. De splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting moet op dezelfde wijze worden getoetst als die in de vennootschapsbelasting.

De A-G beantwoordde vervolgens de vraag of de gekozen vormgeving van de overdracht kan worden aangemerkt als een ‘kunstgreep’ of ‘een (volstrekt) kunstmatige constructie’. Hiervoor worden blijkens de jurisprudentie van het HvJ EU twee criteria aangelegd:

  1. Het moet de overwegende bedoeling van de partijen zijn om een belastingvoordeel te verkrijgen; en
  2. Het verkrijgen van het voordeel moet in strijd met doel en strekking van de wet zijn.

Het Hof heeft vastgesteld dat in geen enkel document een niet-fiscale reden voor deze vormgeving van de transactie is vastgelegd, terwijl in meerdere documenten is benadrukt dat de inbreng en afsplitsing fiscaal zo gunstig mogelijk moest worden vormgegeven. Het Hof kon hierom oordelen dat aan het eerste (subjectieve) criterium is voldaan.

Hetzelfde geldt voor het tweede (objectieve) criterium. Doel van het misbruikvoorbehoud bij de splitsingsvrijstelling is enerzijds om te voorkomen dat de overdrachtsbelasting een hinderpaal is bij de keuze voor de economisch gezien meest wenselijke rechtsvorm van de onderneming of de positionering van onroerende zaken binnen een concern, en anderzijds misbruik of oneigenlijk gebruik van de vrijstelling voorkomen door een continuïteitseis te stellen en te verhinderen dat een verkoop wordt ingekleed als een inbreng. In dit geval stond de heffing niet in de weg aan de meest wenselijke rechtsvorm of de positionering van het vastgoed. Het vastgoed werd juist naar een derde ‘verplaatst’. Feitelijk was derhalve sprake van een vervreemding die werd ingekleed als splitsing. Daarvoor is de splitsingsvrijstelling niet bedoeld.

De conclusie is dat het hof de splitsingsvrijstelling terecht geweigerd heeft. Ook de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.


Bron: Hoge Raad 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:17

Did you find this useful?