Geen strafrechtelijke vervolging mogelijk voor schending suppletieplicht | Deloitte Nederland

Article

Geen strafrechtelijke vervolging mogelijk voor schending suppletieplicht

Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om niet-nakoming van de suppletieverplichting in de omzetbelasting strafrechtelijk te vervolgen. Dit zou volgens het hof overigens ook in strijd zijn met art. 6 EVRM.

16 augustus 2018

Omzetbelastingfraude

Indien het aan de opzet of grove schuld van een belastingplichtige te wijten is dat omzetbelasting die op aangifte moet worden voldaan niet of niet-tijdig is betaald, kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen tot maximaal 100% van de verschuldigde belasting. Een vergelijkbare boetebepaling is in het leven geroepen voor het niet naleven van de suppletieverplichting.

Het opzettelijk onjuist doen van aangifte kan ook strafrechtelijk worden vervolgd. Recentelijk stond voor Hof Den Bosch de vraag centraal of dit ook geldt voor het ten onrechte niet doen van suppletie. In de betreffende zaak kwam verder de samenwerking tussen de administrateur van de betrokken vennootschappen en de accountant aan de orde.

Samenwerking met accountant

Laatstgenoemde had in overleg met de administrateur van een drietal transportondernemingen opzettelijk onjuiste aangiften ingediend, waardoor te weinig omzetbelasting was betaald. Ook zijn de wettelijk verplicht gestelde suppletieaangiften niet gedaan. De achterliggende reden hiervan was de nijpende financiële positie van de betrokken vennootschappen. Ondanks de belangrijke rol van de accountant in de gang van zaken besloot het OM alleen de administrateur in haar hoedanigheid van feitelijk leidinggever aan de verboden gedraging strafrechtelijk te vervolgen.

Hof Den Bosch stelt voorop dat opzet of schuld van een door de belastingplichtige ingeschakelde accountant niet mag worden toegerekend. In dit geval treft echter ook de ondernemingen en hun administrateur zelf blaam. Laatstgenoemde heeft uitdrukkelijk ingestemd met de door de accountant voorgestelde handelwijze en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de accountant niet de vereiste suppletieaangiften zou doen. Door controle hierop na te laten, is sprake van een tekortkoming in de samenwerking met de accountant. Terzijde merkt het hof op dat het doen van suppletie niet het opzet op de eerdere onjuiste aangiften wegneemt. Wel zou sprake kunnen zijn van vrijwillige verbetering.

Vervolging wegens schending suppletieverplichting?

Uiteindelijk wordt de betrokken administrateur echter alleen veroordeeld wegens het feitelijk leiding geven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting. Volgens het hof blijkt namelijk noch uit de tekst van art. 10a AWR noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling dat de wetgever heeft willen voorzien in een strafrechtelijke aanpak van het niet naleven van de suppletieverplichting. Bovendien zou het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht dat iemand niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling zijn betekenis verliezen wanneer een belastingplichtige zou worden verplicht om uit eigen beweging onjuistheden in eerdere aangiften omzetbelasting te melden. De inspecteur zou hiermee immers op het spoor kunnen komen van een beboetbaar of strafbaar feit.

Conclusie

Hoewel de uitspraak van het hof sympathiek oogt, betwijfelen wij of deze in cassatie stand zal houden. De lijn van de Hoge Raad is namelijk dat informatieverstrekking voor heffingsdoeleinden mag worden afgedwongen. Blijft staan dat de verkregen informatie tevens zou kunnen worden gebruikt voor beboeting of strafvervolging. Om dit te ondervangen heeft de Hoge Raad geoordeeld dat afgedwongen verklaringen niet mogen worden gebruikt voor het bewijs dat een beboetbaar of strafbaar feit is begaan. Het is echter zeer de vraag of een suppletieaangifte als zodanig kan worden aangemerkt. Volgens de Hoge Raad is de aard van het bewijsmateriaal beslissend voor de kwalificatie als ‘wilsafhankelijk’ of ‘wilsonafhankelijk’ en niet of voor het verkrijgen hiervan enige medewerking van de belastingplichtige noodzakelijk is. Sowieso gaat het geheel buiten werking stellen van de suppletieverplichting, zoals het hof in deze zaak doet, ons inziens te ver. In dat geval zou de inspecteur namelijk ook de mogelijkheid worden ontzegd om de suppletie te gebruiken voor heffingsdoeleinden. En voor die consequentie biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad geen basis.

 

Bron: Hof Den Bosch 10 juli 2018, 20-003061-16, ECLI:NL:GHSHE:2018:2879

Vond u dit nuttig?