Heffing erfbelasting na vaststelling ouderschap erflater | Deloitte Nederland

Article

Heffing erfbelasting na vaststelling ouderschap erflater

Bij vaststelling van het ouderschap na het overlijden van een erflater wordt voor het moment van verkrijging niet aangesloten bij het moment van overlijden, maar bij het moment dat het ouderschap is vastgesteld.

31 mei 2022

Erven van ouders waarvan het ouderschap pas na overlijden is vastgesteld

Het is mogelijk dat het ouderschap van een erflater pas wordt vastgesteld na zijn of haar overlijden. Deze vaststelling heeft tot gevolg dat het kind jegens wie het ouderschap is vastgesteld sinds de geboorte al kind was van erflater. Hierdoor kan het kind erven van erflater, ook al heeft de vaststelling van het ouderschap pas plaatsgevonden na het overlijden. Op basis van de wettelijke verdeling (of een testament als erflater dit heeft opgemaakt) kan het kind een vordering krijgen op de echtgenoot ter grootte van zijn erfdeel. In dit kader rijst de vraag op welk moment het kind de vordering heeft gekregen: ten tijde van het overlijden van erflater of op het moment dat het ouderschap is vastgesteld. Over deze vraag heeft de Hoge Raad onlangs arrest gewezen.

De zaak in kwestie

Erflater is in 2008 overleden. In zijn testament is bepaald dat de wettelijke verdeling wordt toegepast op zijn nalatenschap, waardoor zijn echtgenote en zijn dochter zijn aangemerkt als erfgenamen. In 2014 wordt het vaderschap van erflater vastgesteld jegens belanghebbende, waardoor belanghebbende met terugwerkende kracht eveneens wordt aangemerkt als erfgenaam. Door toepassing van de wettelijke verdeling heeft belanghebbende als erfgenaam een vordering gekregen op de echtgenote van erflater. Ter voldoening van deze vordering heeft belanghebbende € 554.729 ontvangen van de echtgenote.

De inspecteur heeft hierna een navorderingsaanslag aan belanghebbende opgelegd van € 286.416. Hiervoor heeft de inspecteur zich gebaseerd op een derde van de waarde van de nalatenschap op het moment van overlijden van erflater, te weten € 1.292.009 (een derde deel van € 3.876.028). Belanghebbende meent echter dat de inspecteur de navorderingsaanslag moet baseren op hetgeen daadwerkelijk door belanghebbende is verkregen, te weten € 554.729. Deze daling komt met name doordat de aandelen van erflater tijdens de banken- en kredietcrisis in waarde zijn verminderd. In geschil is bij welk moment moet worden aangesloten voor het vaststellen van de navorderingsaanslag.

Het moment van overlijden

Het hof volgt het standpunt van de inspecteur en oordeelt dat het tijdstip van de verkrijging van de vordering het moment van overlijden is. Uit het testament volgt volgens het hof niet dat een ander tijdstip in aanmerking moet worden genomen. Voorts schrijft het testament voor dat de geldvorderingen binnen een jaar na overlijden moeten worden vastgesteld, zodat ook de geldvordering van belanghebbende geacht moet worden te zijn vastgesteld binnen een jaar na het overlijden.

Het moment van vaststelling van het vaderschap

De Hoge Raad casseert het oordeel van het hof en sluit aan bij het moment waarop het vaderschap van erflater ten aanzien van belanghebbende is vastgesteld. Belanghebbende kon vóór de vaststelling van het vaderschap in 2014 niet worden aangemerkt als rechthebbende tot de nalatenschap. Hierdoor kon belanghebbende in 2008 geen vordering op de echtgenoot van erflater verkrijgen, met als gevolg dat de inspecteur de navorderingsaanslag niet op deze verkrijging kon baseren. Dit leidt ertoe dat de Hoge Raad de navorderingsaanslag vernietigt. In dit soort gevallen moet dus voor de verkrijging worden aangesloten bij het moment waarop het ouderschap is vastgesteld en niet bij het moment van overlijden.


Bron: HR 29 april 2022, 21/00232, ECLI:NL:HR:2022:661.

Did you find this useful?