Herinvesteringsvoornemen hoeft niet realiseerbaar te zijn in vervreemdingsjaar | Deloitte Nederland

Article

Herinvesteringsvoornemen hoeft niet realiseerbaar te zijn in vervreemdingsjaar

De Hoge Raad oordeelt dat voor de vorming van een herinvesteringsreserve niet vereist is dat het herinvesteringsvoornemen reeds in het jaar van vervreemding van het oude bedrijfsmiddel realiseerbaar is.

9 november 2022

Herinvesteringsreserve

Als de verkoopopbrengst van een bedrijfsmiddel de boekwaarde overtreft, mag het verschil onder voorwaarden worden gedoteerd aan de herinvesteringsreserve. Vereist is dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat op balansdatum een herinvesteringsvoornemen bestaat. En dat binnen drie jaar daarna daadwerkelijk uitvoering is gegeven aan dat voornemen. Maar gaat die eis zover dat dit voornemen reeds in het vervreemdingsjaar realiseerbaar moet zijn? Daarover heeft de Hoge Raad recentelijk geoordeeld.

De kwestie draaide om X bv, een vennootschap die in de jaren 2010 tot 2012 op aandringen van haar financiers bijna al haar onroerende zaken heeft verkocht. Met de opbrengst heeft zij op haar hypotheekschulden en kortlopende schulden afgelost. X bv wilde de gerealiseerde boekwinsten onderbrengen in een herinvesteringsreserve, maar de inspecteur heeft dit geweigerd omdat geen sprake zou zijn van een herinvesteringsvoornemen.

Realiseerbaarheid van herinvesteringsvoornemen

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep van X bv ongegrond verklaard. Volgens het hof is het gezien de hoge verliezen en het negatieve werkkapitaal onaannemelijk dat sprake is van een realiseerbaar herinvesteringsvoornemen. Ook waren er in de desbetreffende jaren geen concrete plannen voor herinvestering en het verkrijgen van de daarvoor benodigde financiering.

De Hoge Raad casseert de hofuitspraak echter. Voor de vorming van een herinvesteringsreserve is namelijk niet vereist dat het voornemen tot herinvestering realiseerbaar is in het jaar van verkoop van het oude bedrijfsmiddel. Het realiteitsgehalte van het herinvesteringsvoornemen speelt alleen een rol als redelijkerwijs niet te verwachten valt dat de voorgenomen herinvestering binnen de driejaarstermijn kan plaatsvinden, bijvoorbeeld omdat dit financieel onmogelijk is. De zaak wordt verwezen naar Hof Den Bosch om opnieuw te laten toetsen of X bv een herinvesteringsreserve mocht vormen.

Aanwijzingen voor het verwijzingshof

De Hoge Raad geeft aan het verwijzingshof mee dat voor de vorming van een HIR niet vereist is dat de belastingplichtige reeds een concreet plan heeft voor een vervangende investering en voor de financiering daarvan. Een eis die wel wordt gesteld bij toepassing van de ruilarresten.

Verder geeft de Hoge Raad aan dat het ontbreken van schriftelijke stukken niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie leidt dat een herinvesteringsvoornemen onaannemelijk is. Het bewijs dat een dergelijk voornemen bestaat kan ook op andere wijze worden geleverd. Daarbij kunnen stukken en andere bewijsmiddelen die betrekking hebben op de periode na balansdatum een rol spelen. Die bewijsmiddelen kunnen namelijk aanwijzingen bevatten dat reeds op balansdatum sprake was van een herinvesteringsvoornemen. De slotsom is dat het cassatieberoep van X bv gegrond is.


Bron: HR 21 oktober 2022, 20/03362, ECLI:NL:HR:2022:1507

Did you find this useful?