Herziening reikwijdte Wet op de dividendbelasting

Article

Herziening reikwijdte Wet op de dividendbelasting

In een op 16 mei 2017 gepubliceerd consultatiewetsvoorstel heeft het Ministerie van Financiën de eerder aangekondigde wijzigingen in de Wet op de dividendbelasting nader uitgewerkt.

24 mei 2017

Inleiding

Het gepubliceerde consultatiewetsvoorstel bevat maatregelen om de fiscale behandeling van houdstercoöperaties in de Wet op de dividendbelasting gelijk te trekken met die van besloten vennootschappen (bv’s) en naamloze vennootschappen (nv’s). Verder wordt voorgesteld de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting dusdanig uit te breiden dat deze ook van toepassing is op actieve ondernemingsstructuren.

In het consultatiedocument wordt ook voorgesteld het vennootschapsbelastingsregime voor buitenlands belastingplichtigen te wijzigen. Zij worden vrijgesteld van vennootschapsbelasting op inkomsten uit Nederlandse dividenden. Alleen hun vermogenswinsten zouden dan nog belast zijn. Deze versmalling van de belastinggrondslag wordt gecompenseerd door het opnemen van een anti-misbruikbepaling in de Wet op de dividendbelasting.


Houdstercoöperaties en dividendbelasting

Volgens de huidige wet zijn door een coöperatie uitgekeerde dividenden in principe niet onderworpen aan dividendbelasting, behalve in bepaalde misbruiksituaties. Hiertegenover staat dat bv’s/nv’s in principe wel 15% dividendbelasting dienen in te houden op aan aandeelhouders uitgekeerde dividenden

Het consultatiedocument stelt voor om houdstercoöperaties dividendbelasting in te laten houden indien één van de leden van de coöperatie een kwalificerend lidmaatschapsrecht houdt. Een kwalificerend lidmaatschapsrecht doet zich voor indien een lid een belang houdt in de coöperatie van ten minste 5% en daardoor gerechtigd is tot eventuele winsten en/of liquidatieopbrengsten. De belangen van verbonden partijen, inclusief natuurlijke personen, zouden ook voor deze kwantitatieve test in aanmerking moeten worden genomen. Een coöperatie kwalificeert als houdstercoöperatie indien de feitelijke werkzaamheden voor 70% of meer bestaan uit het houden van deelnemingen of het (in)direct financieren van verbonden lichamen. Of een coöperatie voldoet aan de definitie van een houdstercoöperatie wordt bepaald door factoren als de aard van haar activa, passiva, omzet en winst genererende werkzaamheden en de tijd die haar personeel kwijt is aan hun werkzaamheden.

Een coöperatie die zich actief bezighoudt met het beheer van haar investeringen en die in verband hiermee voldoende substance (zoals personeel, een kantoor) heeft, zal in Nederland mogelijk niet als houdstercoöperatie kwalificeren. Zij zou daarom niet binnen de reikwijdte van de Wet op de dividendbelasting vallen. Erkend wordt dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin coöperaties die onderdeel zijn van private-equity-structuren zouden kunnen kwalificeren als niet-houdstercoöperaties.

Wij merken op dat de bovengenoemde criteria voor de werkzaamheden en het kwantitatieve eigendom niet op bv’s/nv’s van toepassing zullen zijn. Deze lichamen blijven onverkort binnen de reikwijdte van de Wet op de dividendbelasting vallen. Wij wijzen erop dat bv’s/nv’s, net als houdstercoöperaties, kunnen profiteren van een volledige binnenlandse inhoudingsvrijstelling van dividendbelasting (zie ook hieronder).


Uitbreiding inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting

Naast de nieuwe inhoudingsplicht die van toepassing is op houdstercoöperaties, voorziet het consultatiewetsvoorstel ook in een uitbreiding van de reikwijdte van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting. De vrijstelling zou van toepassing zijn op uitkeringen door bv’s/nv’s en houdstercoöperaties aan moedermaatschappijen die belastingplichtig zijn in (i) de Europese Unie (EU)/Europese Economische Ruimte (EER), of (ii) een derde land dat een belastingverdrag heeft gesloten met Nederland waarin kwalificerende bepalingen met betrekking tot dividendbelasting zijn opgenomen. Het belang in de houdstercoöperatie zou in beide gevallen een belang moeten zijn dat kwalificeert voor de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening indien de ontvangende partij een Nederlands belastingplichtige zou zijn geweest.

Wij merken op dat de volledige binnenlandse inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting zelfs van toepassing zou zijn wanneer het zou gaan om belastingplichtigen van verdragslanden waar het relevante verdrag voorziet in een gereduceerd dividendbelastingtarief in plaats van een volledige vrijstelling (zoals wanneer een verdrag met een niet in de EU/EER gelegen land voorziet in een dividendbelastingtarief van 5%).


Anti-misbruikbepaling

In het consultatiedocument wordt eveneens voorgesteld een nieuwe anti-misbruikbepaling in te voeren in het kader van de dividendbelastingvrijstelling. Voor toepassing van de vrijstelling voor in de EU/EER en/of in een verdragsland gevestigde ontvangende partijen, dient in wezen te worden vastgesteld of het gaat om een actieve ondernemingsstructuur. Deze vaststelling dient te worden gebaseerd op de bestaande regels in de Wet Vpb en de Wet op de dividendbelasting. Wanneer het belang in het Nederlandse lichaam als een passieve investering wordt aangemerkt, zal in principe dividendbelasting worden ingehouden.

In ondernemingsstructuren zal de binnenlandse vrijstelling niet van toepassing zijn wanneer de structuur of de transactie als kunstmatig wordt aangemerkt en het belang in het lichaam (rechtstreeks) wordt gehouden met als (een van de) voornaamste oogmerk(en) het ontgaan van dividendbelasting. Een structuur of transactie wordt niet als kunstmatig aangemerkt voor zover daaraan zakelijke motieven ten grondslag liggen die de economische realiteit weerspiegelen. Dit kan, bijvoorbeeld, het geval zijn wanneer de rechtstreekse deelgerechtigde of aandeelhouder of de aandeelhouder van het lichaam zich actief bezighoudt met het bedrijf of de activiteiten waaraan het belang kan worden toegewezen.

Aangezien het onderscheid tussen passief en actief gemaakt zou worden door een beroep te doen op de bestaande regels, zouden ook private-equity-investeringsbedrijven worden aangemerkt als actieve ondernemingen. Dit kan aldus geldige zakelijke motieven opleveren. Daar komt bij dat indien de deelgerechtigde of aandeelhouder van een lichaam een zogenaamde hoogste houdstermaatschappij is die zich bezighoudt met het bestuur, het beheer en/of de financiële activiteiten voor de groep, dit eveneens geldige zakelijke motieven kan opleveren. Dit geldt eveneens voor buitenlandse tussenholdings met de vereiste substance, die een schakelfunctie vervullen tussen de bedrijfs- of hoofdkantooractiviteiten van de (uiteindelijke) aandeelhouder en de lagere (binnen- of buitenlandse) ondernemingen binnen de holdingstructuur. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de factoren die in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen of een buitenlandse tussenholding de vereiste substance heeft zullen worden aangepast.

Naast de vereiste substance voor het verkrijgen van een ATR (d.w.z. ten minste 50% van de leden van de raad van bestuur moet inwoner van Nederland zijn, de administratie moet in Nederland worden gevoerd, enz.), zou ook aan de volgende voorwaarden moeten worden voldaan: de buitenlandse tussenholding dient ten minste EUR 100k te verlonen en dient een eigen kantoor en eigen bedrijfsfaciliteiten te hebben en te gebruiken voor de functie van tussenholding.

Indien de vrijstelling niet van toepassing is, is slechts (volledige of gedeeltelijke) verrekening ingevolge een toepasselijk belastingverdrag mogelijk. Er is echter al aangekondigd dat het niet de bedoeling is dat de mogelijkheid een beroep te doen op de voordelen van een belastingverdrag zou kunnen leiden tot een gunstiger uitkomst dan het geval zou zijn volgens binnenlandse regelgeving.


Commentaar

Het opheffen van de verschillen in de fiscale behandeling voor de dividendbelasting tussen houdstercoöperaties en bv’s/nv’s betekent dat al deze lichamen belasting moeten inhouden op uitdelingen, hoewel waarschijnlijk vrijstellingen zullen gelden voor actieve ondernemingsstructuren waarvan de ontvanger fiscaal gevestigd is in de EU/EER of in een verdragsland.
De termijn van de publieke consultatie loopt tot 13 juni 2017, waarna de Tweede Kamer de voorstellen in behandeling zal nemen. Indien de voorgestelde maatregelen worden aangenomen, zullen deze waarschijnlijk vanaf 1 januari 2018 gaan gelden. Belastingplichtigen die hier mogelijk mee te maken krijgen doen er daarom goed aan een inschatting van de gevolgen van deze wijzigingen te maken. Deze kunnen voordelig zijn, gezien het bredere bereik van de vrijstelling, maar ze kunnen ook nadelig zijn, omdat de inhoudingsplicht nu ook van toepassing wordt op houdstercoöperaties en als gevolg van de anti-misbruikbepaling.

Vond u dit nuttig?