Hof van Justitie bevestigt bindende werking E101-verklaring | Deloitte

Article

Hof van Justitie bevestigt bindende werking E101-verklaring

Onlangs heeft het Hof van Justitie EU bevestigd dat een eenmaal afgegeven E101-verklaring geldig blijft totdat deze is ingetrokken, ook als achteraf blijkt dat de verklaring op onjuiste gronden is afgegeven.

31 mei 2017

English version

Werknemers op Franse cruiseschepen

Een Zwitserse werkgever had werknemers tewerkgesteld op schepen waarmee cruises over de Franse binnenwateren werden verzorgd. De Zwitserse autoriteiten hadden een E101-verklaring (thans: A1-verklaring) afgegeven, waaruit bleek dat de werknemers in Zwitserland verzekerd waren gebleven. Achteraf werd duidelijk dat de E101-verklaring niet afgegeven had mogen worden, omdat deze op verkeerde uitgangspunten berustte. De werknemers waar het om ging vielen namelijk niet onder de werkingssfeer van de Europese coördinatieverordening 1408/71 (thans: 883/2004), op basis waarvan de E101-verklaring was afgegeven. De Franse autoriteiten hadden daarom ook premies sociale verzekeringen geheven over het salaris van deze werknemers, ondanks het feit dat volgens de E101-verklaring uitsluitend de Zwitserse socialezekerheidswetgeving van toepassing was.

Aan het Hof van Justitie voor de EU werd de vraag voorgelegd of een E101-verklaring zijn werking behoudt indien blijkt dat deze niet afgegeven had mogen worden, omdat de werknemers die het betreft niet onder de werkingssfeer van Verordening 883/2004 vallen.


Bindende werking E101-verklaring

Het HvJ EU verwijst allereerst naar zijn vaste jurisprudentie, waaruit blijkt dat een E-101 verklaring die is afgegeven door een lidstaat de autoriteiten van andere lidstaten bindt. Als die autoriteiten echter twijfels uiten over de feiten waarop de verklaring berust, of over de juridische beoordeling van die feiten, dan moeten de afgevende autoriteiten de gegrondheid van die verklaring opnieuw onderzoeken en deze zo nodig intrekken. Alleen de lidstaat die de verklaring heeft afgegeven is derhalve bevoegd om de geldigheid ervan te beoordelen. Het zou ook in strijd zijn met het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten, dat is vastgelegd in het EU-verdrag, als de ontvangende lidstaat een E101-verklaring ongeldig zou kunnen verklaren.

Daarnaast heeft het HvJ EU erop gewezen dat lidstaten die het oneens zijn over de geldigheid van een E101-verklaring niet op eigen initiatief premies kunnen heffen, omdat dat tot een dubbele premielast zou leiden. De Europese coördinatieverordening bevat een procedure op grond waarvan een lidstaat de andere lidstaat kan verzoeken om de afgegeven verklaring te heroverwegen. Leidt dat niet tot resultaat, dan kunnen de lidstaten de zaak voorleggen aan de Administratieve Commissie en eventueel zelfs overwegen om een niet-nakomingsprocedure bij het HvJ EU te starten. Dat hadden Frankrijk en Zwitserland in deze zaak achterwege gelaten.


Gevolgen voor Verordening 883/2004

Vanaf 1 mei 2010 heeft Verordening 883/2004 de voorgaande Verordening 1408/71 vervangen. Het arrest van het HvJ EU is echter onverminderd relevant voor A1-verklaringen die zijn afgegeven onder de huidige verordening. Een eenmaal afgegeven A1-verklaring blijft bindend voor andere lidstaten, ook als die twijfels hebben over de geldigheid ervan. Een lidstaat kan de verklaring niet naast zich neerleggen en besluiten om alsnog premies te heffen.


Bron: Hof van Justitie EU, 27 april 2017, nr. C-620/15

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen