Gemeente heeft recht op aftrek van btw op investeringsgoed ook wanneer dit in eerste instantie vo| Deloitte Nederland

Article

Hof van Justitie: herziening van btw mogelijk bij ingebruikname voor niet-ondernemersdoeleinden  

Gemeente heeft recht op aftrek van btw op investeringsgoed, ook wanneer dit in eerste instantie voor niet-ondernemersdoeleinden is gebruikt

Het Hof van Justitie oordeelt dat een Poolse gemeente recht heeft op herziening van de aftrek van de over een onroerend investeringsgoed betaalde btw wanneer het goed in eerste instantie volledig is gebruikt voor niet-ondernemers handelingen en later gedeeltelijk voor btw-belaste handelingen.

26 juli 2018

Op 25 juli jl. heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in een Poolse zaak over de exploitatie van een dorpshuis.

Het Hof van Justitie oordeelt dat een Poolse gemeente recht heeft op herziening van de aftrek van de over een onroerend investeringsgoed betaalde btw wanneer het goed in eerste instantie volledig is gebruikt voor niet-ondernemers handelingen en later gedeeltelijk voor btw-belaste handelingen.

In deze Indirect Tax Alert bespreken wij de procedure en benoemen wij het belang voor de praktijk.


Feiten en omstandigheden
De gemeente heeft in 2010 een dorpshuis laten bouwen. Na de bouw heeft de gemeente het dorpshuis om niet in gebruik gegeven aan het gemeentelijk cultureel centrum. Aanvankelijk heeft de gemeente het dorpshuis niet voor btw-belaste handelingen gebruikt. De btw op de bouwkosten heeft de gemeente dan ook niet in aftrek gebracht. Evenmin werd het dorpshuis uitdrukkelijk bestemd tot de “onderneming” van de gemeente.

Vier jaar nadat de bouw van het dorpshuis was voltooid, is de gemeente het dorpshuisvoor btw-belaste handelingen gaan gebruiken. De gemeente heeft het dorpshuis gedeeltelijk btw-belast verhuurd.

In geschil is of herziening van de aftrek van btw op de bouwkosten mogelijk is nu het gebruik van het dorpshuis binnen de herzieningstermijn is gewijzigd.


Hof van Justitie
Het Hof van Justitie herhaalt zijn oordeel uit eerdere rechtspraak dat alleen recht op herziening van de aftrek van btw mogelijk is wanneer de gemeente bij de ingebruikname van het investeringsgoed heeft gehandeld als belastingplichtige. Indien de gemeente handelt als niet-belastingplichtige (overheid) is geen enkel recht op aftrek van btw mogelijk.

Het dorpshuis kan naar zijn aard zowel voor btw-belaste als voor niet btw-belaste handelingen worden gebruikt. De gemeente heeft bij de ingebruikname niet uitdrukkelijk verklaard voornemens te zijn het dorpshuis te gebruiken voor btw-belaste handelingen. Aan de andere kant heeft de gemeente het gebruik voor btw-belaste handelingen ook niet uitdrukkelijk uitgesloten.

De gemeente staat ook al sinds 2005 ingeschreven als belastingplichtige (de gemeente heeft een btw-identificatienummer). De gemeente heeft het dorpshuis volgens het Hof van Justitie onder dezelfde voorwaarden in gebruik genomen als een particulier. Bij de ingebruikname heeft de gemeente geen overheidsbevoegdheden gebruikt.

Het Hof van Justitie maakt uit deze omstandigheden op dat de gemeente bij de ingebruikname van het dorpshuis niet als overheid, maar als belastingplichtige heeft gehandeld. Voor zover het gebruik van het dorpshuis wijzigt van niet-belaste naar btw-belaste handelingen kan de gemeente de btw op de bouwkosten daarom alsnog gedeeltelijk in aftrek brengen op basis van de herzieningsregels.


Belang voor de praktijk
In het besluit “publiekrechtelijke lichamen” gaat de staatssecretaris van Financiën in op de aftrek van btw door gemeenten. Daarbij geeft hij aan dat wanneer goederen alleen voor niet-ondernemersdoeleinden in gebruik worden genomen, de gemeente de goederen niet tot het ondernemersvermogen kan rekenen.

Op basis van de uitspraak van het Hof van Justitie zijn de mogelijkheden voor gemeenten om goederen tot het ondernemersvermogen te rekenen ruimer dan de Staatssecretaris aangeeft. Dit is interessant indien het gebruik van deze goederen wijzigt van niet belaste naar btw-belaste activiteiten. De gemeente kan de btw op de bouwkosten of aanschafkosten in dat geval immers mogelijk alsnog gedeeltelijk in aftrek brengen.

Dit geldt voor alle investeringsgoederen die de gemeente in eerste instantie niet uitdrukkelijk voor overheidsdoeleinden in gebruik heeft genomen. Uiteraard denken wij graag met u mee over de specifieke gevolgen voor uw gemeente.

Vond u dit nuttig?