Titel

Article

Hof van Justitie: prestaties vanuit een opleidingsrestaurant of –theater aan derden hangen nauw samen met onderwijs

De btw-vrijstelling voor onderwijs geldt ook voor prestaties die daarmee “nauw samenhangen”. In de praktijk bestaat discussie over de uitleg van het criterium “nauw samenhangend” en daarmee over de reikwijdte van de onderwijsvrijstelling. In de Britse zaak Brockenhurst College is het Europese Hof van Justitie gevraagd of prestaties vanuit een opleidingsrestaurant of –theater aan derden nauw samenhangen met vrijgesteld onderwijs. Het Hof van Justitie is in deze zaak van oordeel dat dergelijke prestaties inderdaad nauw samenhangen met onderwijs.

5 mei 2017

De zaak Brockenhurst College

Het Brockenhurst College verstrekt onderwijs aan studenten, waaronder lessen op het gebied van horeca en podiumkunsten. Om de studenten in de gelegenheid te stellen praktijkervaring op te doen, exploiteert het Brockenhurst College een opleidingsrestaurant en theater. Studenten verzorgen daar maaltijden en theatervoorstellingen voor een beperkte groep derden die zich daarvoor vooraf hebben ingeschreven en een lagere prijs (80% van de kosten) betalen dan in een gewoon restaurant of theater.

In geschil is of de restaurant- en theaterdiensten die Brockenhorst College aan de derden verricht, zijn vrijgesteld als nauw samenhangende prestatie bij het onderwijs.


Oordeel

Volgens het Hof van Justitie kwalificeren de prestaties aan derden vanuit het opleidingsrestaurant of –theater als verrichtingen die nauw samenhangen met de hoofdprestatie, het vrijgestelde onderwijs, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • De diensten zijn onmisbaar voor de opleiding, en
  • De vrijgestelde verrichtingen zijn niet bedoeld om de instelling extra inkomsten te verschaffen door in directe concurrentie met btw-plichtige commerciële ondernemingen diensten te verrichten.

De praktijktraining is opgezet als integraal onderdeel van de studie. Zonder deze training krijgen studenten geen gedegen opleiding aangeboden. Hieruit blijkt volgens het Hof van Justitie dat de restaurant- en theaterdiensten onmisbaar zijn voor geboden onderwijs.

Ten aanzien van de tweede voorwaarde merkt het Hof van Justitie allereerst op dat deze voorwaarde een uitdrukking vormt van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat zich met name ertegen verzet dat soortgelijke diensten, die dus met elkaar concurreren, vanuit het oogpunt van de btw ongelijk worden behandeld. De geheel door de studenten verzorgde restaurant- en theaterdiensten aan een beperkt aantal derden verschilt volgens het Hof van Justitie substantieel van de gewoonlijk door een theater of commercieel restaurant aangeboden diensten. Bovendien zijn deze diensten gericht op een apart publiek zodat niet in dezelfde consumentenbehoefte wordt voorzien. Daarbij blijkt volgens het Hof van Justitie, uit het feit dat met de restaurantdiensten slechts 80% van de kosten wordt gedekt, dat dergelijke diensten niet zijn bedoeld om aanvullende inkomsten te verwerven door in directe concurrentie met btw-plichtige commerciële ondernemingen diensten te verrichten, zoals restaurants of theaters. Het Hof van Justitie is daarom van oordeel dat de diensten die het Brockenhurst College aanbiedt, niet vergelijkbaar zijn met de diensten die commerciële restaurants en theaters aanbieden. De btw-vrijstelling voor de door deze instelling aangeboden diensten leidt niet tot een verschil in fiscale behandeling.

Uiteindelijk zal de nationale rechter moeten nagaan of de voorwaarden daadwerkelijk zijn vervuld.


Gevolgen voor de praktijk

Het oordeel van het Hof van Justitie is een verruiming van de huidige zienswijze en toepassing van de onderwijsvrijstelling in Nederland. Dergelijke diensten – in het kader van een praktijkopleiding - worden over het algemeen niet als nauw samenhangend gezien en dienen in principe in de heffing van btw te worden betrokken. Wanneer deze diensten tegen of onder de kostprijs worden verricht, kan heffing van btw gunstig uitwerken door het aftrekrecht dat ontstaat. De Belastingdienst accepteert daarbij overigens veelal niet een volledig aftrekrecht op alle toerekenbare kosten en investeringen nu daarin een bepaald onderwijselement zit.

Het is afwachten of deze zaak leidt tot een wijziging in het beleid van de Belastingdienst. Naar onze mening laten de overwegingen van het Hof van Justitie genoeg ruimte om in voorkomende gevallen te komen tot btw-heffing in plaats van de toepassing van de onderwijsvrijstelling. Zo kunnen praktijkopleidingen (die diensten aan derden verrichten) wel in concurrentie treden doordat marktconforme prijzen worden gehanteerd.

Wij raden onderwijsinstellingen aan om – aan de hand van de overwegingen van het Hof van Justitie – hun specifieke btw-positie ten aanzien van praktijkopleidingen in kaart te brengen.

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen