Hoge Raad belicht regels inzake bestuurdersaansprakelijkheid

Article

Hoge Raad belicht regels inzake bestuurdersaansprakelijkheid

Volgens de Hoge Raad kan pas van kennelijk onbehoorlijk bestuur worden gesproken wanneer geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden gehandeld zou hebben zoals de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft gedaan.

19 april 2017

English version

Bestuurdersaansprakelijkheid

Op grond van de Invorderingswet zijn bestuurders in bepaalde gevallen hoofdelijk aansprakelijk voor (onder meer) de niet betaalde loonheffing en omzetbelasting van een rechtspersoon. Wanneer de bestuurder van een rechtspersoon zelf ook rechtspersoonlijkheid bezit, geldt deze aansprakelijkheid ook voor de achterliggende bestuurders. Een bestuurder kan aansprakelijkheid voorkomen door tijdig betalingsonmacht te melden, mits geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Recentelijk heeft de Hoge Raad zijn licht laten schijnen over laatstgenoemd criterium.


Kennelijk onbehoorlijk bestuur

Belanghebbende was middellijk aandeelhouder en sinds 4 juni 2007 ook indirect bestuurder van X bv. Deze bv geraakte in 2008 financiële problemen nadat een vervoerscontract was opgezegd en is uiteindelijk op 9 december 2008 failliet verklaard. De verschuldigde omzetbelasting en loonheffing over de maanden september tot en met november 2008 is wel aangegeven maar niet betaald. Hoewel tijdig betalingsonmacht is gemeld, is de belastingdienst overgegaan tot aansprakelijkstelling. Belanghebbende zou er namelijk bewust voor hebben gekozen om alleen het bankkrediet volledig af te lossen en op die manier hebben bewerkstelligd dat onvoldoende liquiditeiten resteerden om de belastingschuld te voldoen.

Hof Den Bosch heeft inderdaad kennelijk onbehoorlijk bestuur aanwezig geacht. Ondanks het feit dat aan de bank zekerheden waren verstrekt, had belanghebbende niet zonder meer mogen toegeven aan de door de bank uitgeoefende druk. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel (belanghebbende is de enige bestuurder die aansprakelijk is gesteld) wordt verworpen. Wel beperkt het Hof de aansprakelijkheid tot de maanden september en oktober 2008, omdat de aangifte- en betalingsverplichting over de maand november 2008 na het faillissement op de curator zijn overgegaan. Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld.


Hoge Raad

In cassatie blijft de hofuitspraak slechts gedeeltelijk overeind. De Hoge Raad stelt voorop dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur pas sprake is als geen redelijk denkend bestuurder in dezelfde omstandigheden gehandeld zou hebben zoals de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft gedaan. Daarvan is onder meer sprake wanneer een bestuurder wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn handelwijze ertoe zou leiden dat belastingschulden van de rechtspersoon onbetaald zouden blijven en hem ter zake daarvan bovendien een ernstig persoonlijk verwijt treft. Het structureel niet-betalen van belastingschulden kan een indicatie zijn dat aan dit criterium is voldaan, maar is niet noodzakelijk voor deze conclusie. Bij het voorgaande past wel de kanttekening dat het verwijt van kennelijk onbehoorlijk bestuur alleen aan de orde is indien de bestuurder bij machte was om de gewraakte bestuurshandelingen niet te verrichten. Nu belanghebbende voor het Hof gesteld had dat de bank zelf de inning van haar vorderingen heeft bewerkstelligd door het uitoefenen van haar pandrecht, is de hofuitspraak in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Ook hoefde belanghebbende de belastingdienst na de melding van betalingsonmacht niet uit eigen beweging te informeren over de handelwijze van de bank. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het feit dat het hier gaat om een hoofdelijke aansprakelijkheid nog niet meebrengt dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel per definitie is uitgesloten.

Ook de staatssecretaris heeft gedeeltelijk succes in cassatie. Dat na het uitspreken van het faillissement de curator bevoegd was om aangifte te doen en de verschuldigde loon- en omzetbelasting over de maand november 2008 te betalen, sluit namelijk niet uit dat deze schulden door toedoen van belanghebbende onbetaald zijn gebleven. De aansprakelijkstelling voor de invorderingsrente wordt echter door de Hoge Raad van tafel geveegd. Dit is pas mogelijk nadat de ontvanger eerst een beschikking heeft vastgesteld waarin het belopen bedrag aan invorderingsrente bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing.


Bron: Hoge Raad 31 maart 2017, 15/02939, ECLI:NL:HR:2017:530

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen