Hoge Raad casseert hofuitspraak over uitleg van vaststellingsovereenkomst

Article

Hoge Raad casseert hofuitspraak over uitleg van vaststellingsovereenkomst

Volgens de Hoge Raad mogen aan een inspecteur bij het optreden ter zitting qua professionaliteit geen hogere eisen worden gesteld dan aan belastingadviseur die aldaar als gemachtigde van een belastingplichtige optreedt.

9 januari 2018

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

De Hoge Raad heeft op 5 januari 2018 een interessant arrest gewezen over de uitleg van een vaststellingsovereenkomst. De zaak betrof een belanghebbende die erfgenaam was van een in 2002 overleden tante. Tot de nalatenschap behoorden onder meer aanmerkelijkbelangaandelen. Voor de gehele waarde van dit aandelenpakket is een beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit gedaan. Volgens de inspecteur was de waarde van de aandelen echter deels toerekenbaar aan beleggingsvermogen, waardoor het vrijgestelde bedrag lager werd vastgesteld. Nadat de inspecteur het daartegen gerichte bezwaarschrift had afgewezen, heeft belanghebbende beroep ingesteld bij Rechtbank Breda. Op 24 april 2008 hebben partijen ter zitting een deelcompromis bereikt over de toerekening van bepaalde vermogensbestanddelen. Over de andere geschilpunten is tot aan de Hoge Raad geprocedeerd.

Navordering geoorloofd?

Uiteindelijk is komen vast te staan dat de gewone aanslag successierecht te hoog was vastgesteld en de conserverende aanslag juist te laag. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur op 5 april 2011 de gewone aanslag verlaagd en tegelijkertijd een conserverende navorderingsaanslag opgelegd. Volgens belanghebbende is navordering echter niet mogelijk, omdat de wettelijke termijn daarvoor was verstreken. De inspecteur stelt daartegenover dat een redelijke uitleg van de afspraak meebrengt dat een verlaging van de gewone aanslag een hogere conserverende aanslag impliceert, omdat deze aanslagen communicerende vaten zijn. Nu de navorderingstermijn reeds ten tijde van het sluiten van het compromis was verspreken, moet belanghebbende worden geacht te hebben ingestemd met navordering buiten de wettelijke termijn.

Hof Den Bosch was echter niet gevoelig voor de argumenten van de inspecteur en oordeelde dat het op de weg van de inspecteur had gelegen om aan de afspraak de voorwaarde te verbinden dat een conserverende navorderingsaanslag mocht worden opgelegd. Belanghebbende hoefde daar volgens het Hof niet vanuit te gaan. Ook is volgens het Hof niet gebleken dat belanghebbende afstand heeft gedaan van haar recht om zich te beroepen op termijnoverschrijding.

Uitleg overeenkomst

Volgens de Hoge Raad is dat echter te kort door de bocht. Hoewel het Hof heeft onderkend dat de ter zake van de erfrechtelijke verkrijging opgelegde aanslag en conserverende aanslag onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, is (ten onrechte) niet vastgesteld of de gemachtigde van belanghebbende wist dat de gemaakte afspraak noodzakelijkerwijs meebracht dat de conserverende aanslag moest worden verhoogd. Uitgaande van de veronderstelling dat die wetenschap inderdaad aanwezig was, oordeelt de Hoge Raad dat het hof niet zonder nadere motivering kon beslissen dat de inspecteur aan de afspraak expliciet de voorwaarde had moeten verbinden dat een conserverende navorderingsaanslag mocht worden opgelegd. De Hoge Raad overweegt daarbij dat aan het optreden van de inspecteur voor de belastingrechter qua professionaliteit geen hogere eisen worden gesteld dan aan een belastingadviseur die ter zitting als gemachtigde van de belastingplichtige optreedt. De zaak wordt verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.

Wetswijziging

De wetgever heeft de uitkomst van deze procedure overigens niet willen afwachten, maar reeds per 1 januari 2018 reparatiewetgeving doorgevoerd. Die komt erop neer dat de eis van het nieuwe feit niet langer wordt gesteld indien als gevolg van de vermindering van een aanslag schenk- of erfbelasting een (conserverende) navorderingsaanslag aan dezelfde verkrijger moet worden opgelegd of omgekeerd. De maatregel heeft onmiddellijke werking gekregen, waardoor zij ook geldt in gevallen waarin een aanslag vóór 1 januari 2018 is verminderd. Voorwaarde daarbij is wel dat de navorderingstermijn van vijf jaar, te rekenen vanaf het verminderingstijdstip, op 1 januari 2018 nog niet was verstreken.


Bron: HR 22 december 2017, 16/05639, ECLI:NL:HR:2017:3229

Vond u dit nuttig?