Titel

Article

Hoge Raad: geen misbruik van recht bij exploitatie sportcomplex door een stichting

Op 1 december 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de procedure van een stichting die de exploitatie van een sportcomplex als belangrijkste activiteit heeft. De Hoge Raad oordeelt dat de stichting gelegenheid geeft tot sportbeoefening (belast met 6% btw) en daarom recht op aftrek van voorbelasting heeft. In dit artikel bespreken wij de procedure en benoemen wij het belang voor de praktijk. Daarbij betrekken we ook de beoogde wijziging van de btw-sportvrijstelling per 2019.

1 december 2017

Feiten en omstandigheden

Tot 2010 huurde een tennisvereniging van de gemeente een sportcomplex, bestaande uit een bar, zeven tennisbanen en twee kleedkamers. De gemeente is eigenaar van het sportcomplex en droeg tijdens de huurperiode zorg voor het onderhoud en beheer. De jaarlijkse huur bedroeg afgerond € 45.

Eind 2009 hebben de voorzitter en penningmeester van de tennisvereniging een stichting opgericht. De stichting is met ingang van 2010 het sportcomplex gaan exploiteren. Daartoe heeft de stichting van de tennisvereniging de huurovereenkomst met de gemeente overgenomen. Ook heeft de stichting voor ca. € 25.000 enkele activa van de tennisvereniging overgenomen, waarvoor een leningsovereenkomst met de tennisvereniging is gesloten. De lening is rente- en aflossingsvrij gedurende de looptijd. Desondanks is er in de jaren 2010, 2011 en 2012 al afgelost waarbij er ook rente is betaald.

De exploitatie van de stichting bestaat hoofdzakelijk uit het ter beschikking stellen van het sportcomplex (exclusief de kantine) aan de tennisvereniging, voor een jaarlijkse vergoeding van € 40.000 (exclusief 6% btw). Daarnaast wordt het sportcomplex tegen vergoeding in gebruik gegeven aan o.a. bedrijven, scholen en zelfstandige tennistrainers. Ook worden er reclame-inkomsten gegenereerd. De kantine wordt tot slot afzonderlijk verhuurd aan een pachter.

Geschil

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag aan de stichting opgelegd, waarmee de afgetrokken voorbelasting wordt gecorrigeerd. De inspecteur stelt dat de btw om meerdere redenen niet aftrekbaar is:

- Er is sprake van een juridische schijnhandeling
- Er is sprake van misbruik van recht
- De stichting verricht btw-vrijgestelde prestaties (verhuur)

In hoger beroep stelt de inspecteur zich niet (langer) op het standpunt dat de stichting en tennisvereniging een fiscale eenheid vormen (c.q. “te vereenzelvigen” zijn), in welk geval de stichting geen belastbare prestaties aan de tennisvereniging zou verrichten.
 

Verloop procedure

De Rechtbank stelt de inspecteur in het gelijk, omdat er volgens de Rechtbank sprake is van misbruik van recht.

Het Gerechtshof vernietigt vervolgens de uitspraak van de Rechtbank. In de eerste plaats wordt geoordeeld dat geen sprake is van een juridische schijnhandeling. De gepresenteerde rechtshandelingen komen namelijk juist overeen met wat partijen werkelijk beogen. Ook is volgens het Gerechtshof geen sprake van misbruik van recht. Kortgezegd wordt volgens het Gerechtshof geen belastingvoordeel behaald in strijd met doel en strekking van de wet, aangezien het sportcomplex onder normale marktvoorwaarden wordt verhuurd. Het staat partijen dan vrij hun activiteiten zodanig te structureren dat de omvang van hun belastingschuld wordt beperkt. Tot slot oordeelt het Gerechtshof dat geen sprake is van btw-vrijgestelde verhuur van het sportcomplex. Er is sprake van gelegenheid geven tot sportbeoefening, aangezien er een sportaccommodatie ter beschikking wordt gesteld waarmee aan de tennisvereniging gelegenheid wordt gegeven een sport te (laten) beoefenen. Dat de leden van de tennisvereniging het onderhoud van de banen feitelijk voor hun rekening nemen doet aan dit oordeel niet aan af, omdat de stichting hier formeel verantwoordelijk voor is.

De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het Gerechtshof op alle onderdelen. Daarbij gaat de Hoge Raad nogmaals uitgebreid in op alle grieven van de inspecteur. Via deze link kunt u de uitspraak van de Hoge Raad raadplegen.

Belang voor de praktijk

Deze relatief uitgebreide uitspraak van de Hoge Raad is voor de praktijk erg interessant omdat er diverse overwegingen in zijn opgenomen ten aanzien van (met name) misbruik van recht en gelegenheid geven tot sportbeoefening.
In de Toelichting op Tabel I Wet OB (toepassing verlaagd tarief) wordt onder post b.3 (het geven gelegenheid tot sportbeoefening en baden) uitgebreid ingegaan op gelegenheid geven tot sportbeoefening en op situaties waarin er sprake zou zijn van misbruik van recht. Daarbij wordt vooral gedoeld op situaties waarin de exploitatie van een sportaccommodatie voorheen bij de vereniging was ondergebracht en die voor het behalen van btw-voordelen is overgeheveld naar (bijvoorbeeld) een speciaal opgerichte stichting. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad dient dit strikte beleid van de staatssecretaris van Financiën ten aanzien van gelegenheid geven tot sportbeoefening, waaronder de situaties waarin er sprake zou zijn van misbruik van recht, wat ons betreft sterk te worden genuanceerd.

Wijziging btw-sportvrijstelling
In het licht van de wijziging van de btw-sportvrijstelling per 2019 is deze uitspraak van de Hoge Raad ook van belang. Gemeenten en niet-winstbeogende organisaties (bijvoorbeeld sportstichtingen) zullen na de wetswijziging in beginsel onder de btw-sportvrijstelling vallen voor het exploiteren van sportaccommodaties. Dat is in veel gevallen niet gunstig en vanuit het Rijk is reeds toegezegd dat hiervoor een bepaalde vorm van compensatie komt. De “commerciële exploitatie” van sportaccommodaties kan naar onze opvatting niet onder de btw-sportvrijstelling gaan vallen. Hiervoor blijft het gunstige btw-regime van gelegenheid geven tot sportbeoefening dus van kracht. Momenteel wordt veel gesproken over het omvormen van de exploitatie door gemeenten en niet-winstbeogende organisaties naar een commerciële exploitatie. Daarbij lijkt het onvermijdelijk een structuur op te richten met een afzonderlijke entiteit die winst beoogt (bijvoorbeeld een BV). Mede gelet op deze uitspraak van de Hoge Raad zijn hiervoor vanuit btw-perspectief mogelijkheden, waarbij van belang is dat er onder ‘normale marktvoorwaarden’ wordt gehandeld. Een en ander luistert echter nauw en los van de btw spelen uiteraard nog andere belangen (fiscaal en niet-fiscaal, zoals eventueel privatiseringsbeleid in de gemeente). Desondanks is het raadzaam – waar mogelijk en wenselijk – tijdig voor te sorteren op de aankomende wetswijziging. Wij zijn vanzelfsprekend graag bereid daarover met u van gedachten te wisselen.

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen