Titel

Article

Hoge Raad: hogere pro rata voor hoger onderwijs

De door instellingen voor hoger onderwijs ontvangen wettelijke rijksbijdragen hoeven niet te worden meegenomen bij het bepalen van hun pro rata, zo oordeelt de Hoge Raad in zijn arrest gewezen op 23 februari 2018. Als gevolg van deze uitspraak wordt het pro rata-percentage en daarmee de aftrek van voorbelasting voor deze instellingen significant hoger.

26 februari 2018

Casus

Een instelling voor hoger onderwijs verricht btw-vrijgesteld onderwijs waarvoor het collegegeld dat zij ontvangt vanuit btw-perspectief de vergoeding vormt. Daarnaast ontvangt zij vergoedingen voor btw-belaste prestaties zoals detacheren van personeel, exploitatie van een kantine en verkoop van onderwijsmaterialen. Behalve deze vergoedingen ontvangt de instelling diverse rijksbijdragen die – in cassatie onbestreden - vanuit btw-perspectief niet de vergoeding voor een prestatie vormen.

In geschil bij de Hoge Raad is of deze rijksbijdragen in aanmerking moeten worden genomen in de noemer van de breuk die wordt gehanteerd bij de bepaling van de mate van aftrek van de btw op de gemengde kosten (de pro rata). Voorts was in geschil of de financieringsbronnen, waaronder de rijksbijdragen, bepalend zijn voor het werkelijk gebruik van de algemene kosten.

Rechtbank en Hof

Rechtbank Noord-Nederland en Hof Arnhem-Leeuwarden (“het Hof”) waren eerder met de instelling van oordeel dat de huidige uitvoeringsbeschikking niet voorziet in de mogelijkheid, laat staan de verplichting, om de rijksbijdragen mee te nemen in de pro rata-berekening. Uitgangspunt is in casu dus de verhouding tussen de btw-belaste omzet en de overige opbrengsten met uitzondering van de rijksbijdragen (en subsidies). Ook pro-rata aftrek op basis van werkelijk gebruik van de algemeen aangewende goederen en diensten, door de Belastingdienst berekend aan de hand van de financiering van de instelling, is volgen het Hof niet mogelijk.

Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt in haar arrest de cassatiemiddelen van de Staatssecretaris (namens de Belastingdienst) tegen de beslissing van het Hof. De Hoge Raad ziet in de EU Btw-richtlijn namelijk geen grond om de Nederlandse wet- en regelgeving zo uit te leggen dat de rijksbijdragen in aanmerking moeten worden genomen voor de pro rata. Ook heeft het Hof volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat de financiering van de instelling (inclusief rijksbijdragen) niet zodanig objectief en nauwkeurig is dat daarmee het werkelijk gebruik van de algemeen aangewende goederen en diensten kan worden vastgesteld. De rijksbijdragen moeten dus buiten beschouwing worden gelaten bij het bepalen van de pro rata en zijn niet relevant voor vaststellen van het werkelijk gebruik.

Gevolgen voor de praktijk

De Belastingdienst hanteerde het uitgangspunt dat de rijksbijdragen in het hoger onderwijs tot een lagere pro rata leidde. Nu blijkt dat dit uitgangspunt onjuist is, kunnen instellingen voor hoger onderwijs een groter deel van de btw op hun algemene kosten terugvragen.

Indien uw instelling hoger onderwijs aanbiedt kunt u in ieder geval voor de toekomst gebruik maken van dit arrest. Mogelijk geldt dit ook voor andere onderwijsinstellingen die collegegelden ontvangen. Ook dient u na te gaan of het interessant is om bezwaar te maken tegen de laatste btw-aangifte over 2017. Dit dient u dan wel op zeer korte termijn te doen, aangezien het bezwaar binnen zes weken na (betaling op) aangifte moet zijn ingediend.

In dit verband merken we op dat de Belastingdienst (ook) in geval van teruggaaf van btw op basis van de pro rata de eis stelt dat een juiste btw-administratie wordt gevoerd. Wat niet wegneemt dat het verzoek ook op factuurniveau kan worden onderbouwd.

Vond u dit nuttig?