Hoge Raad legt begrip huurprijs voor toepassing verhuurderheffing uit | Deloitte

Article

Hoge Raad legt begrip huurprijs voor toepassing verhuurderheffing uit

Volgens ons hoogste rechtscollege is de kale huurprijs is beslissend voor het antwoord op de vraag of een verhuurde woning onder de reikwijdte van de verhuurderheffing valt.

14 maart 2018

Inleiding

Zo langzamerhand ontstaat in de rechtspraak steeds meer duidelijkheid over de toepassing van de verhuurderheffing. Zo is reeds eerder geoordeeld dat sprake moet zijn van een onderliggende huurovereenkomst, wil sprake zijn van een huurwoning (Hofjesarrest). Recentelijk heeft de Hoge Raad zijn licht laten schijnen over de vraag wat onder het begrip ‘huurprijs’ moet worden verstaan voor toepassing van de verhuurderheffing. Het antwoord op die vraag is vooral van belang om te kunnen beoordelen welke huurwoningen onder de reikwijdte van die heffing vallen.

Begrip ‘huurprijs’

In de Wet Maatregelen Woningmarkt 2014 II is bepaald dat onder de verhuurderheffing de voor verhuur bestemde woningen vallen die een huurprijs hebben die niet hoger is dan het bedrag, genoemd in artikel 13, lid 1, letter a, Wet op de huurtoeslag. De grens ligt momenteel bij een huurprijs van € 710,68.

De vraag die belanghebbende aan de Hoge Raad heeft voorgelegd is of de huurprijs van € 710,68 de ‘kale’ huurprijs betreft of de zogenoemde rekenhuur (zijnde de kale huur inclusief een gemaximeerd bedrag aan servicekosten). Indien rekening moet worden gehouden met de rekenhuur, zou een aantal woningen wegvallen uit de heffingsgrondslag van de verhuurderheffing. Het gaat daarbij om woningen met een kale huurprijs van maximaal € 710,68, maar een rekenhuur die hoger ligt dan dit bedrag vanwege de in de Wet op de huurtoeslag benoemde servicekosten.

Kale huurprijs is beslissend

Alhoewel de Hoge Raad aan belanghebbende toegeeft dat tijdens de parlementaire behandeling verwijzingen zijn gemaakt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever de rekenhuur op het oog had, valt het oordeel uiteindelijk toch de andere kant op. Uit de wetsgeschiedenis blijkt volgens de Hoge Raad namelijk ook dat de wetgever is uitgegaan van de veronderstelling dat de huurtoeslaggrens samenvalt met de zogenoemde liberalisatiegrens. En uit de samenhang van verschillende artikelen in het Burgerlijk Wetboek, de Wet op de huurtoeslag en het Besluit Huurprijzen volgt dat voor toepassing van die liberalisatiegrens wordt aangesloten bij de huurprijs zoals genoemd in artikel 7:237, lid 2, BW. Dit is de prijs die is verschuldigd voor het enkele gebruik van de woonruimte, oftewel de kale huurprijs.

Het ligt volgens de Hoge Raad dan ook in de rede om voor de verhuurderheffing bij die kale huurprijs aan te sluiten, te meer nu dit strookt met het aan de verhuurderheffing ten grondslag liggende uitgangspunt dat tot de gereguleerde huurmarkt behorende huurwoningen in de verhuurderheffing moeten worden betrokken. Het cassatieberoep van belanghebbende is derhalve ongegrond.


Bron: HR 2 maart 2018, 17/00527, ECLI:NL:HR:2018:290

Vond u dit nuttig?