Hoge Raad oordeelt over omkering en verzwaring van bewijslast | Deloitte

Article

Hoge Raad oordeelt over omkering en verzwaring van bewijslast

De Hoge Raad heeft zich recentelijk opnieuw uitgelaten over toepassing van de bewijssanctie en de plicht die in dat kader op de inspecteur rust om het inkomen zo goed mogelijk te schatten.

27 augustus 2018

Vereiste aangifte

De inspecteur die van mening is dat een (rechts)persoon vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is, kan diegene uitnodigen tot het doen van aangifte binnen een door hem te stellen termijn. Geeft de betrokkene hieraan geen gehoor, ook niet na daartoe te zijn aangemaand door de inspecteur, dan treedt de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in werking.

Ook als wel aangifte is gedaan, kan de vraag aan de orde komen of de bewijssanctie moet worden toegepast. De inspecteur moet dan aantonen dat de aangifte dusdanig ernstige gebreken bevat dat de opgegeven belastingschuld zowel qua bedrag als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en dat belastingplichtige zich daarvan bewust had moeten zijn.

Ten slotte kan omkering en verzwaring van de bewijslast zich voordoen als een belastingplichtige niet aan zijn informatie- of administratieplicht voldoet. Vereist is dan wel de inspecteur dit bij onherroepelijk geworden informatiebeschikking heeft vastgesteld.

Contante stortingen

Wanneer de inspecteur over onvoldoende gegevens beschikt, zal hij het inkomen of de winst zo goed mogelijk moeten schatten. Hij beschikt daarbij over een ruime beoordelingsmarge. Voor ingrijpen van de rechter alleen plaats als de belastingplichtige overtuigend aantoont dat de aanslag te hoog is vastgesteld of als de schatting van de inspecteur onredelijk is. Recentelijk heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag wat in dit kader van de inspecteur mag worden verwacht.

In die zaak draaide het om de exploitant van een coffeeshop die aangifte over 2007 had gedaan naar een belastbaar box 1-inkomen van € 178.886. Na het opleggen van de aanslag kwam de inspecteur tot de ontdekking dat er grote contante stortingen (in totaal € 415.000) op de bankrekening van de coffeeshop hadden plaatsgevonden. Deze bedragen zijn vervolgens gebruikt voor aflossing van een hypothecaire schuld op een pand dat in eigendom was van de exploitant. Omdat geen medewerking werd verleend aan het ophelderen van de herkomst van de gelden heeft de inspecteur een informatiebeschikking vastgesteld en vervolgens een navorderingsaanslag opgelegd.

Schatting redelijk?

Voor de rechter was in geschil of het totaalbedrag van de contante stortingen terecht bij het box 1-inkomen is opgeteld. Hof Amsterdam oordeelde dat de inspecteur mocht aannemen dat deze bedragen afkomstig zijn geweest uit een of meer niet verantwoorde bronnen van inkomen. Gezien de bewijssanctie is het vervolgens aan belanghebbende om het tegendeel overtuigend aan te tonen. Hiertegen heeft belanghebbende zich in cassatie gekeerd met de stelling dat het aan de inspecteur is om aannemelijk te maken welke inkomensbron is verzwegen.

De Hoge Raad verwerpt dit betoog echter. Uitgangspunt is dat de berekening van het nagevorderde bedrag redelijk moet zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf is voldaan moet acht worden geslagen op de gegevens waarover de inspecteur beschikt, en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is om opening van zaken te geven. Daarvan uitgaande zal de inspecteur aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit blijkt dat de door hem toegepaste berekening niet willekeurig is. Hij hoeft echter niet aannemelijk te maken welke bron van inkomen aan de navordering ten grondslag ligt. In casu blijft de schatting van de inspecteur overeind.


Bron: HR 17 augustus 2018, 17/03633, ECLI:NL:HR:2018:1311

Vond u dit nuttig?