Hoge Raad oordeelt opnieuw over toepassing verlengde navorderingstermijn | Deloitte

Article

Hoge Raad oordeelt opnieuw over toepassing verlengde navorderingstermijn

Recentelijk zijn opnieuw arresten gewezen waarin de vraag centraal stond of de inspecteur voldoende voortvarendheid heeft betracht bij het opleggen van navorderingsaanslagen ter zake van verzwegen buitenlandse banktegoeden.

17 oktober 2017

Verlengde navorderingstermijn

In de afgelopen jaren is veel discussie geweest over de vraag of de verlengde navorderingstermijn voor buitenlandse inkomens- en vermogensbestanddelen wel in overeenstemming is met het EU-recht. Na het stellen van prejudiciële vragen heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de beperking van het vrije kapitaalverkeer die voortvloeit uit toepassing van de verlengde navorderingstermijn in EU-situaties alleen aanvaardbaar is als een navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat, na het opkomen van aanwijzingen dat buitenlandse inkomsten en/of tegoeden zijn verzwegen, noodzakelijkerwijs gemoeid is met:

(i) het verkrijgen van inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting; en

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de verkregen informatie.

Sindsdien is een stroom jurisprudentie op gang gekomen waarin de vraag centraal stond of de inspecteur voldoende voortvarendheid heeft betracht bij het opleggen van de desbetreffende navorderingsaanslagen. Recentelijk heeft de Hoge Raad hierover opnieuw zijn licht laten schijnen.

Voortvarendheidseis (1)

In de eerste zaak heeft de inspecteur aan belanghebbende en haar echtgenoot met dagtekening 31 december 2007 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting opgelegd in verband met verzwegen buitenlandse banktegoeden. Het bezwaarschrift van de echtgenoot tegen deze navorderingsaanslagen is op 8 december 2008 ongegrond verklaard door de inspecteur.

Op 28 januari 2009 heeft de inspecteur een tweede serie navorderingsaanslagen en vergrijpboetes aangekondigd. Echter, aan dit voornemen is pas op 28 juli 2009 uitvoering gegeven. In geschil is of de inspecteur voldoende voortvarendheid heeft betracht. Hof Den Haag heeft geoordeeld dat de vereiste zorgvuldigheid meebrengt dat de inspecteur de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de eerste serie navorderingsaanslagen mocht afwachten.

In de cassatieprocedure overweegt de Hoge Raad dat het op zichzelf niet in strijd is met de voortvarendheidseis om voorrang te geven aan navorderingsaanslagen waarvan de termijn dreigt te verstrijken. Het afwachten van de uitkomst van de bezwaarprocedure van de echtgenoot was echter niet gerechtvaardigd. Niet is komen vast te staan dat de inspecteur na ontvangst van de motivering van diens bezwaarschrift op 17 april 2008 er redelijkerwijs vanuit kon gaan dat nog aanvullende informatie zou worden verstrekt die van belang zou kunnen zijn voor het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen. Dit betekent dat de tweede serie navorderingsaanslagen met dagtekening 28 juli 2009 niet met de vereiste voortvarendheid is opgelegd.

Voortvarendheidseis (2)

Ook in de tweede zaak heeft de inspecteur eind 2007 een eerste serie navorderingsaanslagen opgelegd in verband met verzwegen buitenlandse banktegoeden. Belanghebbende heeft in april 2008 zijn bezwaren tegen deze navorderingsaanslagen gemotiveerd en heeft daarbij ontkend rekeninghouder te zijn. Vervolgens heeft de inspecteur in oktober 2008 een tweede serie navorderingsaanslagen aangekondigd, die uiteindelijk met dagtekening 31 december 2008 zijn opgelegd. Evenals in de eerste zaak, is in geschil of de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld. Hof Den Haag heeft geoordeeld dat dit het geval is. Naar aanleiding van diens ontkenning heeft de inspecteur namelijk nog een ambtshalve check gedaan of belanghebbende inderdaad rekeninghouder was. Bovendien blijkt uit de processtukken dat de belastingdienst het dossier van belanghebbende in de zomer van 2018 heeft geselecteerd voor een civielrechtelijk kort geding. De in verband hiermee opgetreden vertraging bij het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen is volgens het Hof gerechtvaardigd.

In cassatie heeft de Hoge Raad de hofuitspraak bevestigd. Uit de overwegingen van het Hof blijkt namelijk dat tijdens de door de inspecteur gevolgde procedure geen onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden is opgetreden. De tweede serie navorderingsaanslagen is derhalve tijdig opgelegd.


Bron:

  • HR 13 oktober 2017, 17/00228, ECLI:NL:HR:2017:2602
  • HR 13 oktober 2017, 17/00233, ECLI:NL:HR:2017:2599
Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen