Hoge Raad oordeelt over de vereiste aangifte | Deloitte Nederland

Article

Hoge Raad oordeelt over de vereiste aangifte    

De Hoge Raad heeft zich opnieuw uitgelaten over toepassing van de bewijsssanctie vanwege het niet doen van de vereiste aangifte.

10 september 2018

Bewijslast aangifte

Indien een (rechts)persoon een uitnodiging tot het doen aangifte ontvangt, is hij verplicht om deze in te dienen binnen de door de inspecteur gestelde termijn. Als hij niet aan deze eis voldoet, ook niet na daartoe te zijn aangemaand door de inspecteur, treedt de sanctie van omkering van de bewijslast in werking. Vanwege het ontbreken van een aangifte zal de inspecteur dan een zo goed mogelijke schatting moet maken van het belastbaar inkomen. Vervolgens wordt op basis van deze schatting een aanslag opgelegd. De belastingplichtige kan deze aanslag alleen met succes bestrijden door zelf te bewijzen dat de schatting van de inspecteur onjuist of onredelijk is.

Vereisten voor omkering van de bewijslast

Ook als er wel binnen de gestelde termijn aangifte is gedaan, kan de bewijssanctie in werking treden. De inspecteur moet dan aantonen dat de aangifte ernstige gebreken bevat. Hiervan is sprake indien de opgegeven belastingschuld verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Daarnaast moet het niet aangegeven bedrag op zichzelf beschouwd aanzienlijk zijn. Met als gedachte dat een klein foutje in de aangifte geen relatief zware sanctie als omkering van de bewijslast als gevolg mag hebben.

Niet opgegeven omzet

Recent heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan in een zaak waarbij de vereisten voor toepassing van de sanctie getoetst werden. Het ging om echtgenoten die een restaurant exploiteerden in de vorm van een vennootschap onder firma (vof). De man had over 2008 aangifte inkomstenbelasting gedaan. Daaruit volgde een belastingschuld van 509 euro. In mei 2009 heeft de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld. Tijdens deze controle bleek dat er een omzet van 7420,15 euro niet was opgegeven. Hierdoor ontbrak ten onrechte een bedrag van 715,68 euro in de heffing. De inspecteur was van mening dat sprake was ernstige gebreken in de aangifte en legde een navorderingsaanslag op. Daarbij nam hij het standpunt in dat de sanctie van omkering van de bewijslast moest worden toegepast. Belanghebbende was het daar niet mee eens en ging in hoger beroep bij Hof Arnhem-Leeuwarden. Het hof oordeelde dat de bewijssanctie niet mocht worden toegepast, omdat niet aan alle vereisten was voldaan. Het verzwegen bedrag was namelijk niet aanzienlijk. De inspecteur legde zich niet neer bij deze uitspraak en heeft beroep in cassatie aangetekend.

Wel of niet aanzienlijk?

De Hoge Raad gaat mee in het oordeel van het gerechtshof dat dat de gebreken in de aangifte onvoldoende ernstig zijn om de bewijssanctie te rechtvaardigen. Helaas heeft de Hoge Raad niet de gelegenheid aangegrepen om meer duidelijkheid te verschaffen over de vraag wanneer dan wel sprake is van absoluut of relatief ernstige gebreken. Het lijkt erop dat ons hoogste rechtscollege dit per geval beoordeelt. Zo bleek uit een eerdere uitspraak van de Hoge Raad dat een niet geheven bedrag van 2.101 euro wel aanzienlijk is. Ook aan deze uitspraak valt echter geen algemeen richtsnoer te ontlenen. Hierdoor kan men nog steeds niet zeggen hoe hoog een bedrag precies moet zijn om de kwalificatie ‘aanzienlijk’ te krijgen. Hopelijk geeft de Hoge Raad hierover in de toekomst meer duidelijkheid.


Bron: HR 17 augustus 2018, 17/04145, ECLI:NL:HR:2018:1312

Vond u dit nuttig?