Hoge Raad schept duidelijkheid over RVU-heffing | Deloitte Nederland

Article

Hoge Raad schept duidelijkheid over RVU-heffing

De objectieve voorwaarden en kenmerken zijn beslissend bij de beoordeling of sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding (RVU). Waarom een werkgever zo’n regeling aanbiedt en om welke redenen werknemers van die regeling gebruik maken is niet van belang.

6 juli 2018

Pseudo-eindheffing

Indien een inhoudingsplichtige op hem drukkende uitkeringen doet grond van een regeling voor vervroegde uittreding (RVU), is hij hierover bij wijze van eindheffing 52% loonbelasting verschuldigd (art. 32ba Wet LB 1964). Deze per 1 januari 2005 ingevoerde heffing komt bovenop de reguliere loonheffing die bij de werknemer plaatsvindt ter zake van deze uitkeringen. De maatregel maakte onderdeel uit van een groter pakket dat erop was gericht om het vroegtijdig stoppen met werken te ontmoedigen, althans niet langer fiscaal te faciliëren.

Ondanks het feit dat de staatssecretaris van Financën al spoedig na inwerkingtreding van de regeling enkele beleidsbesluiten uitvaardigde waarin hij de praktijk handvatten bood om te beoordelen of een door een werkgever aangeboden vertrekregeling als RVU kwalificeerde, bleef de nodige onzekerheid bestaan over de reikwijdte van de heffing. Recentelijk heeft de Hoge Raad hierover meer duidelijkheid geschapen.

Sociaal plan

De betreffende werkgever was in het kader van een reorganisatie een sociaal plan met de vakbonden overeengekomen. In dit plan waren een aantal werknemers als boventallig aangewezen op grond van het zogenoemde afspiegelingsbeginsel. Daarnaast konden werknemers ook vrijwillig gebruik maken van de regeling, zij het dat hiervoor wel toestemming van de werkgever vereist was. De beëindigingsvergoeding werd berekend op basis van de kantonrechtersformule, maar bedroeg maximaal de te verwachten inkomensderving tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarbij werd rekening gehouden met uitkeringsrechten van werknemers.

De werkgever heeft de inspecteur verzocht om bij beschikking vast te stellen dat het sociaal plan niet kwalificeert als een RVU. Volgens Hof ’s Hertogenbosch heeft de inspecteur dit verzoek ten onrechte afgewezen. De regeling was namelijk niet leeftijdsafhankelijk en de beëindigingsvergoeding bij ontslag werd berekend op basis van destijds algemeen aanvaarde arbeidsrechtelijke beginselen.

Hoge Raad

Naar aanleiding van het door de staatssecretaris van Financiën ingestelde cassatieberoep, stelt de Hoge Raad voorop dat bepalend is of de uitkeringen of verstrekkingen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum. De beweegredenen van een werkgever om zodanige uitkeringen of verstrekkingen aan te bieden doen niet ter zake. Dat geldt evenzeer voor intenties en keuzes van werknemers om voor de regeling te opteren. Op de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de feitelijk overeengekomen beëindigingsvergoedingen dient dus evenmin acht te worden geslagen. Het Hof heeft deze factoren ten onrechte wel meegenomen in haar beoordeling. Tot cassatie kan dit echter niet leiden, omdat het eindoordeel waartoe het hof is gekomen (geen RVU) juist is.

Conclusie

Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt duidelijk dat de vraag of sprake is van een RVU moet worden beantwoord aan de hand van de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling en niet op basis van de feitelijke uitwerking. Voor de praktijk is dat een welkome verduidelijking.


Bron: HR 22 juni 2018, 16/06236, ECLI:NL:HR:2018:958

Vond u dit nuttig?