Hoge Raad stelt hogere eisen aan bewijs van beboetbaar feit | Deloitte Nederland

Article

Hoge Raad stelt hogere eisen aan bewijs van beboetbaar feit

Uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens blijkt dat iemand onschuldig is, totdat zijn schuld komt vast te staan. Een boete mag alleen worden opgelegd als er overtuigend bewijs is van een beboetbaar feit.

12 april 2022

Vergrijpboete

Als het aan opzet van een belastingplichtige te wijten is dat een belastingschuld die op aangifte had moeten worden voldaan niet (tijdig) is betaald, kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van maximaal 100% van de nageheven belasting. Hetzelfde geldt als de belastingplichtige opzettelijk een onjuiste aangifte indient voor een aanslagbelasting. Bij opzet gaat het om een bewust handelen of nalaten, of ten minste om het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting wordt betaald. Recent heeft de Hoge Raad geoordeeld dat alleen een boete mag worden opgelegd als de feiten en omstandigheden waarop deze boete wordt gebaseerd buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.

Dubbele facturen

In deze zaak ging het over een bedrijf (X bv) dat in 2010 werd opgericht en administratieve diensten verleende bij de aanvraag en verlenging van visa en tewerkstellingsvergunningen voor koks uit China. Ook werd bemiddeld bij het overnemen van koks uit restaurants in EU-lidstaten. Het bedrijf kocht zelf ook diensten in en betaalde daarvoor facturen aan een Nederlandse bv en een Chinese onderneming (X Ltd.).

De belastingdienst stelde een onderzoek naar de aangifte vennootschapsbelasting van X bv over het verlengde boekjaar 2010/2011. De inspecteur concludeerde dat er dubbele facturen in het spel waren en stelde een navorderingsaanslag vast. Er zijn namelijk uitgaven in de aangifte opgenomen als kostenpost, terwijl daar eigenlijk geen diensten tegenover stonden. Ook werd een boete van 214.794 euro aan X bv opgelegd wegens het opzettelijk claimen van een te hoge kostenaftrek. Na bezwaar werd een klein deel van de aan de Chinese onderneming betaalde bedragen alsnog in aftrek toegestaan en werd de boete verlaagd tot 85.917 euro. X bv ging daartegen in beroep. De Rechtbank liet de navorderingsaanslag echter in stand en vond een boete van 50.000 euro passend. Maar omdat de procedure te lang heeft geduurd, werd de boete verlaagd tot 45.000 euro.

X bv ging vervolgens in hoger beroep. Het Hof acht aannemelijk dat sprake is van dubbele facturering, en twijfelt zelfs aan het bestaan van de Chinese onderneming. De bewijslast moet dan ook worden omgekeerd en verzwaard. Ook vindt het hof aannemelijk dat er opzet in het spel is, zodat de vergrijpboete gerechtvaardigd is. Vanwege de lange duur van het proces wordt de boete echter nogmaals met 5.000 euro verlaagd tot een bedrag van 40.000 euro. X bv gaat tegen deze uitspraak in cassatie.

Hoge Raad

De Hoge Raad laat de navorderingsaanslag in stand, maar vindt wel dat de boete onvoldoende gemotiveerd is. Artikel 6 EVRM zegt namelijk dat iemand onschuldig is, totdat zijn schuld komt vast te staan. Dat brengt mee dat feiten die ten grondslag worden gelegd aan een boete buiten redelijke twijfel vast moeten staan. Dat zij aannemelijk zijn, is niet voldoende. De inspecteur moet overtuigend aantonen (‘doen blijken’) dat de belastingplichtige een beboetbaar feit heeft begaan. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van X bv gegrond en verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden om opnieuw te laten beoordelen of er sprake is geweest van opzet.


Bron:

  • Hof Den Bosch 23 juli 2020 ECLI:NL:GHSHE:2020:2352
  • HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
Did you find this useful?