Hoge Raad verduidelijkt berekening van belastingrente | Deloitte Nederland

Article

Hoge Raad verduidelijkt berekening van belastingrente

Bij herziening van een voorlopige aanslag conform een daartoe ingediend verzoek van de belastingplichtige eindigt de berekening van belastingrente veertien weken na ontvangst hiervan door de belastingdienst.

30 mei 2018

Belastingrenteregeling

De belastingrenteregeling is sinds 1 januari 2013 in de plaats gekomen van de heffingsrente. Het uitgangspunt van de nieuwe regeling is fundamenteel anders. Was laatstgenoemde regeling primair gebaseerd op de compensatiegedachte, in de belastingrenteregeling draait het om de vraag of de belastingplichtige dan wel de inspecteur in ‘verzuim’ is. Dit betekent bijvoorbeeld dat alleen recht bestaat op een rentevergoeding wanneer een teruggaaf te lang op zich laat wachten. Anderzijds moet de hoogte van de in rekening te brengen belastingrente worden beperkt als de inspecteur te lang doet over het vaststellen van een (voorlopige) aanslag naar een te betalen bedrag.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

De Hoge Raad heeft eind 2017 geoordeeld dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en dan met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, ertoe kunnen leiden dat berekening van belastingrente achterwege moet blijven of moet worden beperkt. Dit was onder het heffingsrenteregime overigens ook al het geval. Uit de jurisprudentie blijkt dat het daarbij gaat om gevallen waarin het aan de inspecteur te wijten is dat de verschuldigde belasting niet reeds eerder was geheven. Zo mocht volgens de Hoge Raad geen heffingsrente in rekening worden gebracht toen aanvankelijk te weinig inkomstenbelasting was geheven als gevolg van onjuiste voorlichting door de belastingdienst. Ook was heffingsrente niet aan de orde toen de inspecteur abusievelijk teveel buitenlandse bronbelasting verrekende met de verschuldigde inkomstenbelasting en deze vergissing later herstelde door middel van een navorderingsaanslag.

Geen garantie op succes

Dit zijn echter wel uitzonderlijke situaties. In de meeste gevallen blijft de renteberekening bij de rechter overeind, zo ondervond ook een belastingplichtige die na het doen van aangifte toch een andere verdeling van de verrekenbare dividendbelasting wenste en een aanvulling op zijn aangifte inkomstenbelasting deed. Hoewel de herziene aangifte op 11 februari 2014 door de belastingdienst werd ontvangen, luidde de met dagtekening 21 februari 2014 opgelegde voorlopige aanslag conform de oorspronkelijke aangifte. Naar aanleiding hiervan verzocht de belastingplichtige de inspecteur om alsnog rekening te houden met de nieuwe cijfers. Dit resulteerde op 16 mei 2014 in een herziene voorlopige aanslag, inclusief ruim 33.000 euro aan te betalen belastingrente. De renteberekening eindigde op 27 juni 2014, de uiterste betalingsdatum van de voorlopige aanslag.

Renteberekening eindigt na veertien weken

Volgens de belastingplichtige is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur had bij het opleggen van de voorlopige aanslag d.d. 21 februari 2014 rekening kunnen en moeten houden met de op 11 februari 2014 ontvangen aanvulling op de aangifte. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de inspecteur echter niet onzorgvuldig gehandeld, omdat aannemelijk is dat de voorlopige aanslag al op 7 februari 2014 was vastgesteld in de systemen van de belastingdienst en niet (tijdig) meer gewijzigd kon worden.

Wel is het gerechtshof van oordeel dat de berekening van belastingrente op grond van de wet moet worden beperkt tot veertien weken na indiening van het herzieningsverzoek. Het Hof heeft daartoe aansluiting gezocht bij de datum waarop dit verzoek aan de belastingdienst is toegezonden (7 maart 2014). Volgens de Hoge Raad is dit onjuist en is de datum van ontvangst door de inspecteur beslissend (10 maart 2014). Dit betekent dat tot 16 juni 2014 belastingrente in rekening mag worden gebracht, in plaats van de door het hof genoemde datum van 13 juni 1014. Voor het overige bevestigt de Hoge Raad de hofuitspraak zonder aanvullende motivering.


Bron: HR 25 mei 2018, 17/03325, ECLI:NL:HR:2018:757

Vond u dit nuttig?