Hoge Raad verduidelijkt bewijsregels voor verzending per post | Deloitte Nederland

Article

Hoge Raad verduidelijkt bewijsregels voor verzending per post

Onduidelijk is aan welk postbedrijf de uitspraak op bezwaar is aangeboden. Verzending van dit poststuk is niet-aannemelijk geworden. Het beroepschrift is daarom tijdig ingediend.

29 juni 2022

Bewijsrechtelijk kader

Termijnen in het belastingrecht leiden vaak tot bewijsrechtelijke perikelen. Bijvoorbeeld als de inspecteur stelt tijdig een aanslag of beschikking te hebben verstuurd, maar de belastingplichtige aangeeft deze niet te hebben ontvangen. De Hoge Raad heeft hiervoor een bewijsrechtelijk kader ontworpen. Het komt erop neer dat het in eerste instantie aan de inspecteur is om aannemelijk te maken dat de aanslag of beschikking is verstuurd naar het juiste adres. Slaagt hij daarin, dan hanteert de rechter een vermoeden van ontvangst. Als een belastingplichtige na afloop van de wettelijke termijn bezwaar of beroep aantekent en ter rechtvaardiging aanvoert dat hij het bestreden besluit niet heeft ontvangen, dient hij feiten en omstandigheden aan te voeren op basis waarvan die ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Vervolgens is het aan de inspecteur om nader bewijs te leveren.

Ter zake van bezwaar- en beroepschriften die zijn ingediend vóór 1 augustus 2019, en die zich (mede) richten tegen een opgelegde boete, gelden strengere bewijsregels. In dat geval moet de inspecteur de verzending van het besluit overtuigend aantonen. Recentelijk heeft de Hoge Raad de bovenstaande bewijsrechtelijke regels verder uitgewerkt.

Verzending niet-aannemelijk

De zaak draaide om een belastingplichtige aan wie een naheffingsaanslag omzetbelasting met vergrijpboete was opgelegd over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014. Met dagtekening 19 oktober 2018 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft op 12 juli 2019 beroep ingesteld, dat door de rechtbank wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. In verzet voert belanghebbende aan dat hij de uitspraak op bezwaar nooit heeft ontvangen. De rechtbank acht echter aannemelijk dat de uitspraak op bezwaar zowel aan belanghebbende zelf als aan zijn gemachtigde is verzonden. Bovendien was belanghebbende sinds december 2018 bekend met het bestaan van de uitspraak op bezwaar, omdat de inspecteur hem dit telefonisch had meegedeeld. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard.

Belanghebbende vindt wel gehoor bij de Hoge Raad. De door de inspecteur overlegde documentatie maakt namelijk niet duidelijk aan welk postvervoerbedrijf de uitspraak op bezwaar is aangeboden. Verzending van dit poststuk is daarmee niet aannemelijk, laat staan overtuigend aangetoond. Dit laatste was voor wat betreft de opgelegde boete wel noodzakelijk, aangezien het beroepschrift vóór 1 augustus 2019 is ingediend.

Beroepschrift tijdig ingediend

De conclusie is dat de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Dit betekent dat de beroepstermijn pas aanvangt op het moment waarop belanghebbende een kopie van de uitspraak op bezwaar onder ogen krijgt. Dat hij al eerder op de hoogte was van het bestaan van die uitspraak, doet hieraan niet af.

De Hoge Raad stelt vast dat belanghebbende op 12 juli 2019 (de datum waarop het beroepschrift bij de rechtbank werd ingediend) nog geen kopie van de uitspraak op bezwaar had ontvangen. Van een te laat ingediend beroepschrift kan dan geen sprake zijn. De Hoge Raad verklaart het verzet gegrond en stuurt de zaak terug naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling.


Bron: HR 17 juni 2022, 20/02700, ECLI:NL:HR:2022:875

Did you find this useful?