Hoge Raad verduidelijkt navordering wegens redelijkerwijs kenbare fout | Deloitte Nederland

Article

Hoge Raad verduidelijkt navordering wegens redelijkerwijs kenbare fout

Het voortijdig opleggen van de navorderingsaanslag was te wijten aan het niet tijdig aanmelden van een boekenonderzoek in het geautomatiseerde systeem van de belastingdienst. Dit kwalificeert als een redelijkerwijs kenbare fout.

16 juli 2018

Navordering

Navordering van te weinig geheven belasting is aan allerlei voorwaarden gebonden. Als hoofdregel geldt dat de inspecteur hiertoe alleen mag overgaan als hij over een nieuw feit beschikt. Wanneer hij bij het vaststellen van de aanslag een beoordelingsfout heeft gemaakt, blijft deze in principe voor zijn rekening. Dat geldt echter niet als de belastingplichtige te kwader trouw is, bijvoorbeeld omdat hij opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan.

Een tweede belangrijke uitzondering op de eis van het nieuwe feit is de kenbare fout. Als de belastingplichtige redelijkerwijs had moeten begrijpen dat een fout is gemaakt bij het vaststellen van een belastingaanslag, mag de inspecteur deze binnen twee jaar herstellen. Deze uitbreiding van de mogelijkheid om na te vorderen is per 2010 in de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen in reactie op jurisprudentie waaruit bleek dat fouten die voortvloeiden uit de geautomatiseerde wijze van aanslagregeling voor rekening van de belastingdienst bleven. Nadat de Hoge Raad zich in 2014 voor het eerst uitliet over de reikwijdte van deze bepaling, heeft hij in een recent arrest opnieuw de gelegenheid aangegrepen om toepassing van deze bevoegdheid te verduidelijken.

Boekenonderzoek

De zaak draaide om een belastingplichtige bij wie in juni 2009 een boekenonderzoek was gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2005 tot en met 2007. Met dagtekening 5 februari 2010 is de aanslag IB/VV 2007 opgelegd, zonder dat daarin rekening was gehouden met de uitkomsten van dit boekenonderzoek. Ook de inkomsten uit het alsnog vrijwillig aangegeven buitenlandse vermogen waren niet meegenomen. Uiteindelijk is op 23 oktober 2010 een eerste navorderingsaanslag opgelegd met daarin de buitenlandse vermogensinkomsten, op 2 december 2011 gevolgd door een tweede waarin de resultaten van het boekenonderzoek waren verwerkt. In geschil is of laatstgenoemde navorderingsaanslag wel mocht worden opgelegd.

Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat de gang van zaken het gevolg is geweest van een keuze van de belastingdienst om de twee trajecten (boekenonderzoek en vrijwillige verbetering) bij verschillende eenheden onder te brengen. Deze omstandigheid, in samenhang met het verzuim van de inspecteur om de automatische afdoening van aangiften te blokkeren, heeft volgens het hof tot een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten geleid dat in de weg staat aan navordering. De Hoge Raad ziet dat anders. Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat het begrip ‘fout’ zich uitstrekt tot alle misslagen die in verband met de aanslagregeling optreden, uitgezonderd beoordelingsfouten. Het verzuim om de aanslagregeling in de systemen van de belastingdienst gedurende het boekenonderzoek te blokkeren, kwalificeert volgens de Hoge Raad niet als een beoordelingsfout. Dit wordt niet anders doordat de eerste navorderingsaanslag (d.d. 23 oktober 2010) handmatig is opgelegd naar aanleiding van de vrijwillige verbetering.


Bron: HR 13 juli 2018, 17/05454, ECLI:NL:HR:2018:1203

Vond u dit nuttig?