Hoge Raad verduidelijkt pleitbaar standpunt in fiscaal boeterecht en strafrecht | Deloitte

Article

Hoge Raad verduidelijkt pleitbaar standpunt in fiscaal boeterecht en strafrecht

Recentelijk heeft de Hoge Raad enkele arresten gewezen over de toepassing van de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb 1969. In dat kader heeft hij ook belangrijke overwegingen gewijd aan de vraag wanneer sprake is van een pleitbaar standpunt.

9 mei 2017

English version

Inleiding

Recentelijk hebben wij u bericht dat de Hoge Raad een aantal belangrijke arresten heeft gewezen inzake de aftrek van rente. Het ging over een bankenconcern dat een constructie had opgezet waarbij men gebruik wilde maken van het zogenoemde Bosal-gat. Naast de toepassing van de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb 1969 en fraus legis heeft de Hoge Raad in die arresten ook aandacht besteed aan de navorderingsbevoegdheid van de belastingdienst en het innemen van een pleitbaar standpunt. In deze bijdrage staan laatstgenoemde aspecten centraal.


Navordering

Hof Amsterdam oordeelde in de hierboven genoemde zaken dat de navorderingsaanslagen dienen te vervallen. De inspecteur beschikte volgens het Hof voorafgaand aan het opleggen van de definitieve aanslagen namelijk al over zodanige informatie dat hij redelijkerwijs had moeten twijfelen aan de juistheid van de ingediende aangiften en een onderzoek had moeten instellen. Door dit na te laten heeft hij een ambtelijk verzuim begaan. Navordering kan volgens het Hof ook niet worden gebaseerd op kwade trouw, omdat geen sprake is geweest van het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie of het opzettelijk onthouden van de juiste informatie aan de inspecteur.

De Hoge Raad onderschrijft bovenstaande oordelen en merkt daarbij op dat van het opzettelijk onthouden van de juiste informatie alleen kan worden gesproken wanneer een belastingplichtige verplicht is om deze informatie (in de aangifte, dan wel op verzoek van de inspecteur) te verstrekken en dit vervolgens bewust heeft nagelaten. Die situatie heeft zich hier echter niet voorgedaan. Voor belanghebbenden bestond nadrukkelijk niet de wettelijke verplichting om de inspecteur uit eigen beweging informatie te verschaffen over de samenhang tussen de verrichte rechtshandelingen en de bestemming van de door de buitenlandse deelnemingen gepleegde investeringen. Dit betekent dat navordering niet mogelijk is en enkel de correcties over de jaren waarin nog geen definitieve aanslag was opgelegd in stand blijven.


Pleitbaar standpunt

Hof Amsterdam heeft tevens geoordeeld dat de aan belanghebbenden opgelegde vergrijpboetes dienen te vervallen, omdat zij in de aangiften een pleitbaar standpunt hebben ingenomen. De Hoge Raad sluit zich bij dit oordeel aan en overweegt dat geen vergrijpboete kan worden opgelegd indien de belastingplichtige redelijkerwijs kon en mocht menen dat de door hem ingediende aangiften juist waren, want gebaseerd op een pleitbare uitleg van het fiscale recht. In zo’n geval kan niet worden gezegd dat het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat te weinig belasting is geheven of betaald, ook al wordt het desbetreffende standpunt later door de belastingrechter onjuist bevonden.

De Hoge Raad overweegt verder dat de vraag of sprake is van een pleitbaar standpunt naar objectieve maatstaven moet worden beoordeeld. Daarbij komt belang toe aan de wettekst, de wetsgeschiedenis, de in de vakliteratuur verdedigde opvattingen en de stand van de jurisprudentie ten tijde van het indienen van de aangifte. Niet van belang is welke uitleg van het fiscale recht de belastingplichtige ten tijde van het indienen van de aangifte voor ogen stond. Met andere woorden, niet noodzakelijk is dat de belastingplichtige op dat tijdstip zelf in de veronderstelling verkeerde dat zijn handelwijze juist was. Nieuw is dat de Hoge Raad deze uitleg nu ook doortrekt naar het fiscale strafrecht. Het innemen van een objectief bezien pleitbaar standpunt kan niet worden aangemerkt als het opzettelijk indienen van een onjuiste of onvolledige aangifte. In dat geval wordt namelijk niet voldaan aan het criterium dat de belastingplichtige bewust een aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de ingediende aangifte onjuist of onvolledig zou blijken te zijn.


Bron: HR 21 april 2017, 15/05278, ECLI:NL:HR:2017:638

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen