Hoge Raad verduidelijkt regels toekenning immateriële schadevergoeding | Deloitte

Article

Hoge Raad verduidelijkt regels toekenning immateriële schadevergoeding

Het Hof heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat binnen een jaar uitspraak moet worden gedaan na heropening van de procedure wegens vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding.

20 november 2017

Immateriële schadevergoeding bij termijnoverschrijding

Uit het rechtszekerheidsbeginsel vloeit voort dat belastingplichtigen binnen een redelijke termijn recht hebben op een beslissing in een door hen gevoerde belastingprocedure. Indien berechting niet binnen die redelijke termijn plaatsvindt, bestaat recht op een immateriële schadevergoeding. Dit geldt zowel voor natuurlijke personen als rechtspersonen. Vorig jaar heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin hij alle regels die van belang zijn voor de toekenning van een dergelijke vergoeding heeft samengevat, en op enkele punten aangepast.

Als uitgangspunt geldt een redelijke termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase, twee jaar voor het hoger beroep bij het gerechtshof en eveneens twee jaar voor de cassatieprocedure. Indien de Hoge Raad de zaak verwijst naar een rechtbank of gerechtshof, dient de verwijzingsrechter vervolgens binnen een jaar uitspraak te doen. De vergoeding bedraagt in principe € 500 per half jaar termijnoverschrijding (waarbij deze naar boven wordt afgerond). Wanneer vergelijkbare zaken van een belastingplichtige gezamenlijk zijn behandeld, bestaat slechts eenmaal recht op de hierboven genoemde vergoeding. Ook als vergelijkbare zaken van verschillende belastingplichtigen gezamenlijk worden behandeld door de rechter, kan dit een matigende invloed hebben op de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding. Dat toepassing van voornoemde regels niet altijd eenvoudig is, bewijst een recent arrest.

Heropening procedure

Het betrof een tweetal belanghebbenden (X1 bv en X2 bv) waar de inspecteur met betrekking tot verschillende jaren correcties had aangebracht. Bij X1 bv spitste het geschil toe op de vrijval van in eerdere jaren gevormde vervangingsreserves. In het geval van X2 bv hield de hoogte van de ambtshalve vastgestelde belastbare bedragen partijen verdeeld. De zaken zijn deels gezamenlijk behandeld. Het Hof heeft op 18 oktober 2013 inhoudelijk uitspraak gedaan. Vervolgens is de procedure heropend om de aanspraak van belanghebbenden op immateriële schadevergoeding te beoordelen. Uiteindelijk is op 29 september 2016 een vergoeding van € 10.125 (X1 bv) respectievelijk € 1.875 (X2 bv) toegekend.

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het gerechtshof bij het bepalen van de hoogte van deze vergoedingen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat binnen een jaar na heropening van de procedure uitspraak had moeten worden gedaan. In dit geval is een periode van bijna drie jaar verstreken. En dat is niet het enige punt waarop het Hof de mist is ingegaan. Zo is de veronderstelling dat alle procedures van X1 bv met betrekking tot de vrijval van vervangingsreserves steeds gezamenlijk zijn behandeld onjuist. Bovendien heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat de procedures van X1 bv en X2 bv inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat een matiging van de schadevergoeding gerechtvaardigd zou zijn. De Hoge Raad stelt de hoogte van de immateriële schadevergoedingen wegens termijnoverschrijding uiteindelijk zelfstandig vast op € 18.500 (X1 bv) respectievelijk € 5.000 (X2 bv).


Bron: HR 17 november 2017, 16/05257, ECLI:NL:HR:2017:2875

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen