Hoge Raad verduidelijkt reikwijdte informatieverplichtingen | Deloitte

Article

Hoge Raad verduidelijkt reikwijdte informatieverplichtingen

Volgens de Hoge Raad kan een belastingplichtige zich voor wat betreft zijn informatieverplichtingen niet verschuilen achter de wettelijke bewaartermijn voor administratieplichtigen. Anderzijds mag de inspecteur alleen feitelijke informatie opvragen.

24 oktober 2017

Informatieverplichting

Een ieder is op verzoek van de inspecteur verplicht om gegevens en inlichtingen te verstrekken en gegevensdragers (bijvoorbeeld rekeningafschriften of facturen) voor raadpleging ter beschikking te stellen als dat voor zijn belastingheffing van belang kan zijn. In sommige gevallen bestaat zelfs de verplichting om uit eigen beweging een onjuistheid of onvolledigheid aan de belastingdienst te melden. De achterliggende gedachte achter deze verplichtingen is dat de inspecteur over voldoende controlemiddelen moet kunnen beschikken om vast te stellen hoeveel belasting daadwerkelijk verschuldigd is. In de afgelopen maanden heeft de Hoge Raad enkele arresten gewezen waarin de reikwijdte van deze informatieverplichtingen verder is verduidelijkt.

Bewaartermijn niet relevant

In de eerste zaak hield de belanghebbende in 1993 en 1994 rekeningen aan bij de KB-Lux bank. Het saldo van deze rekeningen bedroeg omgerekend ongeveer dertigduizend euro. Onduidelijk is wat er daarna met deze gelden is gebeurd. Aangezien belanghebbende onvoldoende opening van zaken zou hebben gegeven, heeft de inspecteur in 2013 een informatiebeschikking afgegeven. Omdat deze beschikking kennelijk onvoldoende (of niet snel genoeg) resultaat opleverde, is vervolgens een kort geding aangespannen bij de civiele rechter om belanghebbende op straffe van een dwangsom te veroordelen tot het verstrekken van de gevraagde informatie.

Uitgangspunt van de Hoge Raad in dergelijke procedures is dat de Staat aannemelijk moet maken dat de gevraagde informatie bestaat en dat de belastingplichtige daarover beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Op laatstgenoemde rust wel een inspanningsverplichting om aan het informatieverzoek van de fiscale autoriteiten te voldoen. Kennelijk waren de rechtbank en het gerechtshof er niet van overtuigd dat belanghebbende hieraan voldoende invulling heeft gegeven, want in beide instanties is de vordering van de Staat toegewezen en een dwangsom vastgesteld.

In cassatie is door belanghebbende aangevoerd dat de belastingdienst in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou hebben gehandeld door gegevens op te vragen nadat de wettelijke bewaartermijn van zeven jaren is verstreken. Volgens de Hoge Raad geldt die termijn echter alleen voor administratieplichten ter zake van gegevens die tot hum administratie behoren. De administratieverplichting staat derhalve uitdrukkelijk los van de voor alle belastingplichtigen geldende informatieverplichting. Die verplichting is niet aan een bepaalde termijn gebonden, maar geldt zolang de door de inspecteur gevraagde gegevens en inlichtingen van belang kunnen zijn voor de eigen belastingheffing.

Alleen feitelijke informatie

Ook in de tweede zaak was een informatiebeschikking afgegeven omdat de belastingplichtige in kwestie vragen van de inspecteur over zijn buitenlandse bankrekeningen onvoldoende zou hebben beantwoord. Tevens had de inspecteur geen duidelijk antwoord gekregen op zijn vraag of de belastingplichtige wilde afwijken van de wettelijke regeling (50%/50%) voor het toerekenen van het verzwegen buitenlandse vermogen aan hem en/of zijn fiscale partner. Die laatste omstandigheid rechtvaardigt volgens de Hoge Raad echter geen informatiebeschikking. De informatieverplichting ziet namelijk alleen op gegevens van feitelijke aard en niet op een wettelijke keuzemogelijkheid. De belastingplichtige was dus niet verplicht om de vraag over de toedeling van het vermogen in box 3 te beantwoorden. Voor het overige blijft de informatiebeschikking echter in stand.

De tweede grief van de belastingplichtige zag op het feit dat het gerechtshof hem geen termijn had gesteld om alsnog de door de inspecteur gestelde vragen te beantwoorden. Ook die klacht is volgens de Hoge Raad gegrond. Ons hoogste rechtscollege geeft zelf het goede voorbeeld en gunt belanghebbende alsnog een termijn van zes weken.


Bronnen:

  • HR 20 oktober 2017, 16/05582, ECLI:NL:HR:2017:2654
  • HR 9 juni 2017, 16/00303, ECLI:NL:HR:2017:1046
Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen