Hoge Raad verduidelijkt reikwijdte verlengde navorderingstermijn | Deloitte Nederland

Article

Hoge Raad verduidelijkt reikwijdte verlengde navorderingstermijn

De verlengde navorderingstermijn is niet van toepassing op in Nederland verworven inkomsten die pas in een later stadium buiten het zicht van de belastingdienst op een buitenlandse bankrekening worden gestort.

19 maart 2018

Navordering

Uitgangspunt in het Nederlandse belastingrecht is dat de inspecteur niet zonder meer mag terugkomen op een door hem vastgestelde belastingaanslag. Daarvoor is nodig dat hij beschikt over nieuwe informatie die hij ten tijde van het opleggen van de aanslag nog niet kende en waarmee hij redelijkerwijs ook niet bekend had kunnen zijn. Een uitzondering geldt wanneer de belastingplichtige te kwader trouw is, of als sprake is van een redelijkerwijs kenbare fout.

Ook de termijn waarbinnen navordering mag plaatsvinden, is begrensd. Als uitgangspunt vervalt de navorderingsbevoegdheid van de inspecteur vijf jaar na afloop van het tijdvak waarover de belasting is verschuldigd. Voor inkomens- en vermogensbestanddelen die in het buitenland zijn opgekomen of worden gehouden geldt een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. In de loop der tijd zijn al vele procedures gevoerd waarin de vraag centraal stond of de verlengde navorderingstermijn van toepassing was. Recentelijk moest de Hoge Raad zich opnieuw uitlaten over de reikwijdte van deze bepaling. En dat heeft twee zeer interessante arresten opgeleverd.

Niet opgekomen in het buitenland

In beide zaken draaide het om ondernemers die in Nederland een winkel exploiteerden en daarbij een deel van hun contante omzet verzwegen voor de Belastingdienst. De verzwegen opbrengsten zijn naderhand (deels) op bankrekeningen in Luxemburg gestort. Belanghebbenden hebben echter in 2014 alsnog openheid van zaken gegeven onder toepassing van de inkeerregeling. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur over diverse jaren navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd, waarin de verzwegen inkomsten als winst uit onderneming (box 1) zijn belast en de banktegoeden als box 3-inkomen zijn aangemerkt.

In beide zaken was in geschil of de verlengde navorderingstermijn van toepassing is op de nagevorderde inkomstenbelasting ter zake van de winst uit onderneming. Volgens belanghebbenden gaat het hier namelijk om in Nederland gerealiseerde inkomsten die pas in een later stadium buiten het zicht van de belastingdienst op een buitenlandse bankrekening zijn gestort. De Hoge Raad gaat mee in dit betoog en oordeelt dat dergelijke inkomsten niet onder de reikwijdte van de verlengde navorderingstermijn vallen. Het tijdsverloop tussen de ontvangst van de gelden en de storting daarvan op een buitenlandse bankrekening is daarbij niet van belang. Toepassing van de verlengde navorderingstermijn is daarentegen wel aan de orde indien inkomsten uit in Nederland verrichte activiteiten rechtstreeks worden uitbetaald op een buitenlandse bankrekening. Die situatie doet zich echter in geen van beide zaken voor. De cassatieberoepen van de staatssecretaris zijn ongegrond.

Bewijslastverdeling

Ook vanuit bewijsrechtelijk perspectief zijn de arresten belangwekkend. De Hoge Raad oordeelt namelijk dat de omkering en verzwaring van de bewijslast, die optreedt als een belastingplichtige niet de vereiste aangifte doet, geen betrekking heeft op de bevoegdheid van de inspecteur om na te vorderen en op de toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Die vragen dienen met behulp van de normale regels van stelplicht en bewijslast te worden beantwoord. Een andere opvatting zou volgens de Hoge Raad tekort doen aan de rechtszekerheid van belastingplichtigen. De Hoge Raad wijst er verder nog op dat per inkomens- of vermogensbestanddeel zal moeten worden vastgesteld of de verlengde navorderingstermijn van toepassing is.

Duidelijkheid

Met de bovenstaande oordelen van de Hoge Raad is het toepassingsbereik van de verlengde navorderingstermijn en de bewijslastverdeling in navorderingszaken een stuk duidelijker geworden. Voor de praktijk zijn deze arresten dan ook zeer welkom.

Bron:

  • HR 16 maart 2018, 16/06097, ECLI:NL:HR:2018:359
  • HR 16 maart 2018, 17/01663, ECLI:NL:HR:2018:303
Vond u dit nuttig?