Hoge Raad verduidelijkt uitzondering op aanvullende heffing over excessieve vertrekvergoedingen

Article

Hoge Raad verduidelijkt uitzondering op aanvullende heffing over excessieve vertrekvergoedingen

De Hoge Raad oordeelt dat voor toepassing van de uitzondering op de pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen geen onderscheid bestaat tussen voorwaardelijk en onvoorwaardelijk toegekende aandelenoptierechten

11 januari 2017

English version

Aanvullende heffing over excessieve vertrekvergoedingen

De Hoge Raad heeft op 23 december 2016 een belangwekkend arrest gewezen over de pseudo-eindheffing van 75% die door werkgevers is verschuldigd over het excessieve deel van een vertrekvergoeding die is toegekend aan werknemers van wie de dienstbetrekking is beëindigd. De heffing komt bovenop de reguliere loonheffing van de werknemer.

Bij de desbetreffende werkgever traden enkele werknemers uit dienst in 2011 en 2012. Aan deze werknemers zijn tussen 2007 en 2010 aandelenoptierechten toegekend. Deze rechten zijn in 2011 onvoorwaardelijk geworden. De vraag waarover de Hoge Raad zich moest buigen was of het voordeel dat verband houdt met de uitoefening van deze aandelenoptierechten meetelt voor de bepaling van de hoogte van de verschuldigde eindheffing. De heffing is namelijk niet verschuldigd voor zover het als vertrekvergoeding aangemerkte loon verband houdt met voordelen uit de vervreemding of uitoefening van aandelenoptierechten die zijn toegekend in een eerder jaar dan het kalenderjaar voorafgaand aan dat waarin de dienstbetrekking is beëindigd. In dat laatste geval bestaat er volgens de wetgever onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat deze aandelenoptierechten verband houden met het einde van de dienstbetrekking.


Tijdstip van toekenning 

In cassatie is door de staatssecretaris gesteld dat de hierboven genoemde uitzondering in casu niet van toepassing is, omdat de toegekende aandelenoptierechten pas in 2011 onvoorwaardelijk zijn geworden. De Hoge Raad heeft dit standpunt in zijn arrest van 23 december 2016 echter verworpen. Beslissend is op welk tijdstip de aandelenoptierechten zijn toegekend. Dat is het moment waarop de overeenkomst tot stand is gekomen waarin het recht om de aandelen te verwerven is neergelegd. Uit de wettekst blijkt volgens de Hoge Raad niet dat tevens van belang is of de toegekende rechten op dat moment al een onvoorwaardelijk karakter hadden.


Resterende vragen 

Het arrest van de Hoge Raad biedt duidelijkheid voor de praktijk ten aanzien van toegekende aandelenoptierechten in relatie tot de pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen. Wel blijft de vraag hoe vergelijkbare rechten zoals Restricted Stock Units (RSU), Stock Appreciation Rights (SAR) en ‘Phantom shares’, die lang voor de datum van vertrek aan werknemers zijn toegekend dienen te worden behandeld. Ook van deze rechten kan immers niet worden gezegd dat zij verband houden met het einde van de dienstbetrekking. In een eerder arrest uit 2014 kwam de Hoge Raad echter niet tot een gelijkstelling met aandelenoptierechten.


Bron: Hoge Raad 23 december 2016, 16/01732, ECLI:NL:HR:2016:2897 

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen