Hoge Raad verwijst kansspelbelastingzaak opnieuw

Article

Hoge Raad verwijst kansspelbelastingzaak opnieuw

Hof Den Haag oordeelde dat heffing van kansspelbelasting over de omzet van speelautomaten per 1 juli 2008 voor belanghebbende tot een buitensporige last heeft geleid. De Hoge Raad acht dit oordeel echter ontoereikend gemotiveerd.

20 maart 2017

English version

Kansspelbelasting

Tot 1 juli 2008 werd over de omzet van speelautomaten omzetbelasting geheven. Daarbij werd het verschil tussen de inzetten en de uitgekeerde prijzen aangemerkt als omzet inclusief omzetbelasting. Met ingang van 1 juli 2008 wordt daarentegen de bruto-opbrengst van kansspelautomaten belast met 29% kansspelbelasting. Dit heeft voor de exploitanten van speelautomaten tot een forse lastenverzwaring geleid.


Eerste cassatieronde

Belanghebbende heeft gesteld dat voornoemde wetswijziging in strijd is met het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. De Hoge Raad heeft naar aanleiding hiervan in juni 2014 geoordeeld dat de wetgever met de heffing van kansspelbelasting van exploitanten van speelautomaten een legitiem doel in het algemeen belang heeft nagestreefd en de aan hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat de wettelijke regeling als zodanig niet in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom. Daarmee was het pleit echter nog niet beslecht. Er moet namelijk ook een redelijke verhouding (‘fair balance’) bestaan tussen het algemene belang en de individuele rechten van belastingplichtigen.

De Hoge Raad verwees de zaak dan ook naar Hof Den Haag om na te gaan of de heffing voor belanghebbende tot een buitensporige last heeft geleid. Dit gerechtshof heeft in juli 2015 geoordeeld dat belanghebbende met de door haar overlegde cijfers heeft aangetoond dat zij als gevolg van de regimewijziging in een structureel verliesgevende positie terecht is gekomen. Dat die positie verder is verslechterd door veranderingen in het consumentengedrag, de economische recessie en de invoering van het rookverbod doet hieraan niet af. Alles afwegende was het Hof van oordeel dat geen sprake is van een ‘fair balance’ tussen het algemene belang en de bescherming van de individuele rechten van belanghebbende en kende een forse schadevergoeding toe.


Tweede cassatieronde

Recentelijk lag de zaak opnieuw voor bij de cassatierechter. Kernvraag was of Hof Den Haag wel op de juiste wijze heeft getoetst of sprake is van een schending van de ‘fair balance’. De Hoge Raad overweegt dat alleen sprake is van een individuele en buitensporige last indien deze zich sterker laat gevoelen dan in het algemeen. Dit kan zich bij belanghebbende alleen voordoen als bijzondere (niet voor alle exploitanten van kansspelautomaten geldende) feiten en omstandigheden aanleiding geven voor die conclusie. Hof Den Haag heeft deze toets niet (juist) aangelegd. Ook heeft het Hof ten onrechte de geconsolideerde jaarstukken tot uitgangspunt genomen. Het gaat in deze procedure alleen om de schade die belanghebbende zelf heeft geleden als gevolg van de invoering van het kansspelbelastingregime. De zaak wordt opnieuw verwezen, dit keer naar Hof Arnhem-Leeuwarden.


Bron: HR 17 maart 2017, 15/04187 en 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:441 en 442

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen