Hoge Raad verwijst zaak over verzekeringsplicht managers | Deloitte Nederland

Article

Hoge Raad verwijst zaak over verzekeringsplicht managers

Twee managers van een werkmaatschappij kwalificeerden volgens Hof Arnhem- Leeuwarden als werknemer voor de werknemersverzekeringen. Volgens de Hoge Raad is dat oordeel echter zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

25 februari 2022

Management bv

X bv (belanghebbende) heeft managementovereenkomsten gesloten met C (Limited) en D (Limited) (de Ltd's), op grond waarvan deze vennootschappen de dagelijkse leiding over X bv uitoefenen. Beide Ltd's hebben een belang van 24% in X bv. Twee andere vennootschappen houden de overige aandelen in X bv. A is enig aandeelhouder en directeur van C Limited en B van D Limited. A als B zijn werkzaam voor deze vennootschappen op grond van een arbeidsovereenkomst. X bv heeft de overeengekomen managementvergoedingen betaald aan de Ltd’s. A en B hebben van hun respectievelijke persoonlijke vennootschappen loon ontvangen.

Verplicht verzekerd?

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd aan X bv, omdat A en B zijn inziens als verplicht verzekerde werknemers van X kwalificeren. Rechtbank Gelderland is het daar niet mee eens. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt daarentegen dat A en B wél als werknemers van X bv moeten worden aangemerkt. Gezien de managementvergoeding is voldaan aan het vereiste van loon als verplichte tegenprestatie. Er is ook sprake van een gezagsverhouding, omdat A en B, als bestuurders van X bv, hun werkzaamheden onder gezag van de aandeelhouders van X verrichten. Door hun persoonlijke kwaliteiten, visie en ideeën zijn A en B in wezen onmisbaar binnen de onderneming van X bv en moeten zij hun arbeid persoonlijk verrichten, aldus het Hof. Het hof beslist dat sprake is van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen, en van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen.

Oordeel Hoge Raad

Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld, en de Hoge Raad verklaart dit beroep gegrond. De vraag is of de rechtsverhouding tussen de betrokken partijen een arbeidsovereenkomst is in de zin van artikel 7:610 BW. De inhoud van de tussen partijen gemaakte afspraken is bij die beoordeling relevant, evenals de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Deze beoordeling dient uit te wijzen of is voldaan aan de in artikel 7:610 BW gestelde vereisten, te weten een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, loon en een gezagsverhouding.

De Hoge Raad casseert de uitspraak van het Hof om de volgende redenen:

  • Het Hof had nader moeten motiveren waarom de managementovereenkomsten tussen X en de Ltd’s en de arbeidsovereenkomsten tussen de Ltd’s en A en B, civielrechtelijk genegeerd kunnen worden.
  • De door het Hof vastgestelde onmisbaarheid van A en B geeft geen antwoord op de vraag of laatstgenoemden zelf jegens belanghebbende de verplichting op zich hebben genomen om persoonlijk arbeid te verrichten.
  • De omstandigheid dat A en B hebben ingestemd met de betaling van managementvergoedingen aan de Ltd’s geeft geen antwoord op de vraag of belanghebbende jegens A en B de verplichting op zich heeft genomen om aan hen loon te betalen.
  • Het Hof had nader moeten motiveren dat A en B hun werkzaamheden uitvoerden onder gezag van de algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende. De door het Hof genoemde bepalingen in de Shareholders Agreement kunnen niet het oordeel dragen dat met betrekking tot het gezag over de uitvoering van arbeidsovereenkomsten bij belanghebbende een statutaire regeling is getroffen die afwijkt van hetgeen uit het wettelijk stelsel voortvloeit (vgl. de artikelen 2:217 en 2:239 BW). Daarnaast valt niet zonder meer in te zien waaraan die algemene vergadering van aandeelhouders de bevoegdheid zou ontlenen om rechtstreeks gezag uit te oefenen ten aanzien van de door B en A te verrichten werkzaamheden, zolang niet meer is vastgesteld dan dat belanghebbende een contractuele relatie heeft met de Ltd’s.


De zaak wordt verwezen naar Hof Den Bosch voor een nieuwe beoordeling van de verzekeringsplicht.

Beschouwing Deloitte

De Belastingdienst stelt in voorkomende gevallen dat een managementovereenkomst tussen de besloten vennootschap van een bestuurder en de werkmaatschappij moet worden genegeerd. De Belastingdienst stelt dan dat de bestuurder c.q. dienstverlener naar civiel recht als werknemer van de werkmaatschappij moet worden aangemerkt, waardoor er loonheffingen verschuldigd zijn. Afhankelijk van de aandelenverdeling mag heffing van loonbelasting achterwege blijven indien de bestuurder c.q. dienstverlener houder is van een aanmerkelijk belang in de werkmaatschappij. Dit kan met toepassing van de zogenoemde doorbetaald loonregeling. Die regeling geldt echter niet zonder meer voor toepassing van de premies werknemersverzekeringen.

Uit dit arrest, en eerdere jurisprudentie, blijkt dat de Hoge Raad in gevallen als deze hoge eisen stelt aan de motivering dat sprake is van een dienstbetrekking. Een managementovereenkomst kan niet zomaar worden genegeerd. Wij zullen u op de hoogte houden van de uitspraak van het verwijzingshof in deze procedure.


Bron: HR 18 februari 2022, 20/03424, ECLI:NL:HR:2022:282

Did you find this useful?