Hoge Raad verwijst zaken over dividendbelasting van buitenlandse beleggingsfondsen naar Hof van Justitie | Deloitte

Article

Hoge Raad verwijst zaken over dividendbelasting van buitenlandse beleggingsfondsen naar Hof van Justitie

Hoewel de Hoge Raad eerder twee vergelijkbare zaken zelf afdeed, meent de Hoge Raad nu echter dat er toch enige twijfel bestaat over de verenigbaarheid met EU-recht en verwijst de onderhavige zaken naar het Europese Hof van Justitie.

8 maart 2017

English version

Teruggaaf dividendbelasting

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over een tweetal zaken met betrekking tot een verzoek om teruggave van Nederlandse dividendbelasting. De afgelopen tien jaar hebben duizenden buitenlandse beleggingsinstellingen een verzoek om teruggave van dividendbelasting ingediend, waarbij men zich beroept op het argument dat de inhouding van dividendbelasting in strijd is met het EU-recht. De Belastingdienst heeft deze verzoeken systematisch afgewezen. Op dit moment is in meer dan 1.500 zaken beroep aangetekend bij de belastingrechter, terwijl een nog groter aantal zaken zich in de daaraan voorafgaande administratieve fase bevindt. Om de werklast te beperken heeft de rechtbank twee zaken doorverwezen naar de Hoge Raad, die duidelijkheid moet verschaffen over deze kwestie.

Op 3 maart 2017 heeft de Hoge Raad in beide zaken prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie (HvJ EU). De Hoge Raad heeft hiertoe besloten omdat hij zich op het standpunt stelt dat niet (meer) boven redelijke twijfel verheven is wat het antwoord in deze kwestie dient te zijn.


Eerdere arresten van de Hoge Raad

De Hoge Raad besliste op 10 juli 2015 dat een Luxemburgse SICAV die dividend had ontvangen vanuit Nederland geen recht had op teruggave van ingehouden dividendbelasting. Deze uitspraak, waarin uitsluitend naar de doelstelling van de Nederlandse regeling werd verwezen, betekende effectief dat buitenlandse beleggingsinstellingen, zoals een SICAV, nooit recht zullen hebben op teruggave van Nederlandse dividendbelasting.

Kort voordat de Hoge Raad arrest wees in de zaak van deze SICAV, besliste hij dat een Fins open-end beleggingsfonds niet vergelijkbaar was met een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling (FBI). In dat geval verwees de Hoge Raad echter niet naar het doel van Nederlandse wet. In plaats daarvan stelde hij dat het Finse fonds zich niet in een vergelijkbare situatie bevond als een Nederlandse FBI, omdat het de ontvangen dividenden niet binnen acht maanden na ontvangst dooruitdeelde aan zijn eigen aandeelhouders. Deze dooruitdelingsverplichting is één van de vereisten die de Nederlandse wet stelt om in aanmerking te komen voor de status van FBI.


Verzoek om een prejudiciële beslissing

De bovengenoemde uitspraken van de Hoge Raad hebben veel stof doen opwaaien in de fiscale literatuur. Veel auteurs stellen dat deze uitspraken niet stroken met vaste rechtspraak, of dat de Hoge Raad hierover in ieder geval prejudiciële vragen had moeten stellen aan het HvJ EU. Gezien het toenemende aantal zaken dat op dit moment aanhangig is bij de lagere belastingrechter, heeft de rechtbank aan de Hoge Raad gevraagd duidelijkheid te verschaffen.

De twee zaken waarin de Hoge Raad nu een verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ingediend bij het HvJ EU gaan over dividenduitkeringen door Nederlandse ondernemingen aan een Britse en een Duitse beleggingsinstelling.


Arrest van de Hoge Raad: Prejudiciële beslissing

De Hoge Raad merkt op dat er veel verschillende visies bestaan op de relatie tussen de vorige arresten van de Hoge Raad en het EU-recht zoals dat wordt uitgelegd door het HvJ EU. Een aantal benaderingen wordt daarbij besproken. De Hoge Raad neemt het standpunt in dat de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Miljoen e.a. van 17 september 2015, kort nadat de Hoge Raad arrest had gewezen in de Luxemburgse SICAV-zaak, hem niet in het ongelijk heeft gesteld ten aanzien van eerdere arresten. De Hoge Raad ziet dit standpunt bevestigd in de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Pensioenfonds Metaal en Techniek. Wel erkent de Hoge Raad dat in de vergelijkbare zaak Fidelity Funds (C-480/16) een Deense rechtbank eveneens prejudiciële vragen heeft gesteld. De Hoge Raad meent nu dat de juistheid van zijn eerdere arresten niet (meer) boven redelijke twijfel verheven is. Daarom heeft hij besloten de zaken door te verwijzen naar het HvJ EU.


Commentaar

Wij onderschrijven het besluit van de Hoge Raad om de zaken door te verwijzen naar het HvJ EU. Daarnaast onderstreept deze beslissing het advies dat wij eerder aan onze cliënten hebben gegeven: blijf het recht op teruggave verdedigen indien de bedragen substantieel zijn. In het licht van de recente ontwikkelingen geven wij nu ook in overweging om (aanvullende) teruggaveverzoeken in te dienen bij de Belastingdienst, namelijk zowel voor binnen als buiten de EU gevestigde beleggingsinstellingen. Mocht het HvJ EU uiteindelijk oordelen dat het EU recht onjuist wordt uitgelegd door de Hoge Raad, dan hebben de Finse en Luxemburgse beleggingsinstellingen mogelijk toch nog recht op teruggave van dividendbelasting.


Bron: Hoge Raad, 3 maart 2017, zaken nr. 16/3954 en 16/3955.

Vond u dit nuttig?