Hof van Justitie bevestigt bewijskracht handelsdocumenten bij grensoverschrijdende goederenleveringen | Deloitte Nederland

Article

Hof van Justitie bevestigt bewijskracht handelsdocumenten bij grensoverschrijdende goederenleveringen

Het Hof van Justitie heeft op 20 jl. in de Enteco Baltic-zaak verdere duidelijkheid verschaft over de bewijskracht van documenten die bewijs leveren dat goederen bestemd zijn om vanuit de lidstaat van invoer naar een andere lidstaat te worden vervoerd of verzonden.

27 juni 2018

De Litouwse vennootschap Enteco Baltic (hierna: Enteco) is gevestigd in Litouwen en is actief in de groothandel in brandstoffen. Enteco heeft brandstoffen vanuit Wit-Rusland in Litouwen ter doorvoer naar andere lidstaten ingevoerd. Op deze brandstoffen was de zogeheten ‘douaneregeling 42’ van toepassing. Deze regeling maakt het mogelijk de brandstoffen in het vrije verkeer te brengen met vrijstelling van btw (in Nederland nultarief) bij invoer wanneer de invoer wordt gevolgd door een intracommunautaire levering. De leverancier moet bij de invoer de btw-identificatienummers opgeven van de afnemers in de andere EU-lidstaten waarnaar de goederen na de invoer zullen worden vervoerd. Enteco leverde soms de ingevoerde goederen aan andere belastingplichtigen dan de belastingplichtigen van wie het btw-identificatienummer op de aangiften van invoer was vermeld.

De Litouwse rechter heeft aan het Hof van Justitie) prejudiciële vragen gesteld over de invoer door Enteco Baltic. Het Hof van Justitie oordeelt dat het feit dat in de aangiften ten invoer een btw-nummer is opgegeven dat later niet bleek overeen te komen met dat van de werkelijke afnemer, terwijl de importeur alle gegevens betreffende de identiteit van de nieuwe afnemer aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van invoer heeft meegedeeld niet met zich brengt dat de vrijstelling bij invoer kan worden geweigerd. Er moet dan wel vaststaan dat is voldaan aan de materiële voorwaarden, dat wil zeggen de leverancier moet aantonen dat op het moment van invoer vaststond dat de goederen intracommunautair zouden worden geleverd. Getoetst moet dus worden of aan de vereisten voor een intracommunautaire levering is voldaan.

Dat de goederen daadwerkelijk naar een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd kan worden aangetoond aan de hand van documenten zoals CMR-vrachtbrieven en e-AD-documenten. Indien CMR-vrachtbrieven niet voorzien zijn van een ontvangststempel of registratiestempel leidt dit niet tot weigering van de vrijstelling kan leiden wanneer overige bewijzen overlegd kunnen worden dat de goederen bestemd waren om te worden verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat.

Indien u als ondernemer betrokken bent bij internationale goederenleveringen, raden wij u aan in overleg met uw btw-adviseur de gevolgen van deze zaak voor uw situatie nader in kaart te brengen,

Vond u dit nuttig?