Indirect Tax Alert | Deloitte Netherlands

Article

Indirect Tax Alert

Geen aanpassing van werkelijk gebruikmethode als gevolg van concerndienstverlening

Op 5 november jl. heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een procedure over de aftrek van btw op algemene kosten door een market maker. De vraag was of de gehanteerde methode kwalificeert als omzetmethode of als werkelijk gebruikmethode.

19 november 2021

De Rechtbank oordeelt dat sprake is van een werkelijk gebruikmethode, waardoor bepaalde omzetten voor handelingen aan groepsvennootschappen niet relevant worden geacht voor het bepalen van het recht op aftrek van btw op algemene kosten.

Achtergrond

De market maker (een partij die voor bepaalde effecten continu aan- en verkoopprijzen afgeeft om de handel in die effecten te faciliteren) handelt voor eigen rekening op verschillende beurzen en ontvangt hiervoor vergoedingen in vorm van een marge (het verschil tussen aan- en verkooptransacties). Deze prestaties zijn btw-vrijgestelde financiële prestaties en geven slechts recht op aftrek van btw op kosten voor zover de ontvanger buiten de EU is gevestigd.

Daarnaast verricht belanghebbende vanaf 1 januari 2015 ‘support services’ aan haar dochtervennootschappen en stelt zij aan hen software ter beschikking (concerndienstverlening). De vergoedingen hiervoor worden op basis van Transfer Pricing overeenkomsten bepaald, waarbij de vergoeding voor het terbeschikkingstellen van software uit hoofde van de ‘residual profit split’-methode wordt berekend.

Vanaf 2009 heeft de market maker met de belastingdienst afspraken gemaakt over de btw-aftrek op algemene kosten. Deze afspraken komen erop neer dat eiseres voor de berekening van haar pro rata aansluit bij het bruto handelsresultaat (zijnde de ‘marge’). De toerekening van het bruto handelsresultaat aan afnemers die buiten de EU zijn gevestigd, geschiedt door aansluiting te zoeken bij de handelsvolumes per desk (zijnde de verhouding tussen het non-EU handelsvolume ten opzichte van het totale handelsvolume).

De in 2009 gemaakte afspraken houden logischerwijs geen rekening met de van de dochtervennootschappen ontvangen betalingen voor de in 2015 gestarte concerndienstverlening. Belanghebbende heeft de inspecteur in 2016 verzocht om deze vergoedingen in haar pro rata berekening mee te mogen nemen, hetgeen niet is gehonoreerd.

De market maker die haar btw-aangiften steeds conform de in 2009 gemaakte afspraken is blijven indienen, heeft vanaf 2018 bezwaar aangetekend tegen de voldoening van omzetbelasting met betrekking tot de jaren 2018 tot en met 2020. Met betrekking tot de jaren daarvoor (vanaf 2015) doet eiseres beroep op het vertrouwensbeginsel en (voor het jaar 2017) op de bankenresolutie.

Voor de periode 1 februari tot en met 31 december 2020 claimt eiseres een aanvullend recht op aftrek van voorbelasting, omdat volgens haar het Verenigd Koninkrijk (‘VK’) al vanaf die datum niet meer als lidstaat van de EU was te beschouwen (en daar gevestigde ontvangers kwalificeren als afnemers buiten de EU).

Geschil en standpunt inspecteur

In geschil is of de door eiseres gehanteerde methode voor de aftrek van voorbelasting kwalificeert als omzetmethode of als werkelijk gebruikmethode. Volgens het standpunt van de inspecteur is een werkelijk gebruikmethode afgesproken en gehanteerd, omdat het aftrekgerechtigde omzetgedeelte alleen op basis van verhoudingen tussen handelsvolumes kan worden vastgesteld.

Daarnaast is in geschil of de vergoedingen voor de concerndienstverlening in de pro rata van eiseres dienen te worden meegenomen. Volgens de inspecteur vormen de betalingen uit hoofde van de profit split methode geen vergoedingen voor btw belast(bar)e handelingen, maar is sprake van een vorm van winstverdeling.

Uitspraak Rechtbank Noord-Holland

Naar het oordeel van de Rechtbank kwalificeert de door de partijen afgesproken methode voor de aftrek van voorbelasting als werkelijk gebruikmethode. Er wordt namelijk aangesloten bij de verhouding tussen het (totale) nominale handelsvolume van eiseres op beurzen gevestigd buiten de EU ten opzichte van het (totale) nominale handelsvolume van eiseres op beurzen wereldwijd en niet bij de daadwerkelijk in verband met afnemers buiten de EU behaalde bruto handelsresultaten.

Volgens de Rechtbank geeft deze verhouding niet de werkelijke herkomst van de bruto resultaten van de handelstransacties weer. Omdat partijen deze methode wel hebben afgesproken is het voor de rechtbank aannemelijk dat de werkelijk gebruikmethode tot de meest waarheidsgetrouwe weergave van het gebruik van algemene kosten leidt. De omzetmethode kan in dit geval niet worden toegepast omdat niet bepaalbaar is in welke mate het bruto handelsresultaat toerekenbaar is aan handelingen waarvoor (geen) recht op aftrek van voorbelasting bestaat.

Zonder een concreet antwoord te geven op de vraag of de ontvangen betalingen uit hoofde van de profit split een vergoeding vormen voor een belastbare prestatie, leidt dit ertoe dat de concerndienstverlening niet als relevante omzet voor de berekening van aftrek van btw op algemene kosten kan worden meegenomen. Dit zou volgens de Rechtbank er namelijk toe leiden dat twee methodes door en/of naast elkaar worden gebruikt.

Deze diensten kunnen volgens de Rechtbank ook niet bij het gedeelte van het bruto handelsresultaat dat (o.b.v. het non-EU handelsvolume) recht op aftrek geeft en bij het totale handelsresultaat worden opgeteld omdat in dit geval twee “vergoeding-soorten” onzuiver bij elkaar zouden worden opgeteld.

De market maker heeft volgens de Rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het meenemen van de betalingen voor de concerndienstverlening in de pro rata van eiseres tot een nauwkeurigere bepaling van het aftrekrecht leidt.

Ten slotte stelt de Rechtbank vast dat eiseres met betrekking tot de periode 1 februari tot en met 31 december 2020 geen aanvullend recht heeft op aftrek van voorbelasting omdat het tussen de EU en het VK gesloten terugtrekkingskakkoord directe werking heeft (ook ten nadele van burgers van de EU) en het VK derhalve als lidstaat te beschouwen bleef.

Belang voor de praktijk

De te hanteren methode omtrent de berekening van aftrek van btw op algemene kosten blijft de financiële sector in Nederland bezighouden.

Het oordeel van de Rechtbank dat de gehanteerde (werkelijk gebruik) methode tot de meest waarheidsgetrouwe weergave van het gebruik van algemene kosten leidt, zou tot gevolg kunnen hebben dat bepaalde door een belastingplichtige uitgevoerde belastbare handelingen categorisch van de methodiek voor het bepalen van het recht op aftrek worden uitgesloten.

Did you find this useful?