Indirect Tax Alert | Deloitte Nederland

Article

Indirect Tax Alert

Kortingen betaald aan publieke zorgverzekeraar op basis van een vrijwillige overeenkomst moeten leiden tot verlaging maatstaf van heffing

Op 6 oktober 2021 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ”) in de tweede zaak Boehringer geoordeeld dat kortingen aan publieke zorgverzekeraars leiden tot de verlaging van de maatstaf van heffing.

30 november 2021

Het HvJ oordeelde dat farmaceutische bedrijven hun maatstaf van heffing mogen verlagen wanneer vrijwillige kortingen worden verleend aan publieke zorgverzekeraars en dat de door lidstaten opgelegde voorwaarden om aanspraak te maken op deze verlaging moeten worden beperkt.

Achtergrond

In de tweede zaak Boehringer (C-717/19) levert een farmaceutisch bedrijf via groothandelaars geneesmiddelen aan een apotheker die de geneesmiddelen op zijn beurt verstrekt aan patiënten in Hongarije.

In Hongarije kunnen medicijnen worden gesubsidieerd door NEAK (een publieke zorgverzekeraar). De vergoeding voor de levering van geneesmiddelen, geleverd door apotheken, bestaat uit twee componenten: de NEAK-subsidie en de door de patiënt betaalde ‘eigen bijdrage’.

Boehringer heeft een overeenkomst gesloten met NEAK. Op basis van de overeenkomst verleent Boehringer NEAK een korting op basis van de hoeveelheid op de markt gebrachte medicijnen. Het sluiten van zo'n overeenkomst is geen wettelijke verplichting, maar het gaf Boehringer wel zekerheid dat haar medicijnen gesubsidieerd zouden worden door NEAK.

NEAK heeft geen facturen opgesteld voor de door Boehringer betaalde bijdragen.

De Hongaarse belastingdienst oordeelde dat Boehringer niet gerechtigd was haar maatstaf van heffing met de betaalde kortingen te verminderen.

Oordeel van het HvJ

Het HvJ is het niet eens met de Hongaarse belastingdienst. Door de overeenkomst met NEAK te sluiten en de kortingen te betalen, zag Boehringer af van een deel van de vergoeding die zij voor haar leveringen van de groothandel had ontvangen. Het HvJ oordeelt dat
aangezien een deel van de tegenprestatie die de Boehringer verkrijgt uit de verkoop van de geneesmiddelen, door haar niet is ontvangen wegens de bijdrage die zij betaalt aan NEAK, die een deel van de prijs van deze geneesmiddelen aan de apotheken terugbetaalt, moet worden aangenomen dat de prijs van deze geneesmiddelen is verlaagd nadat de handeling is verricht. Als gevolg hiervan moet de maatstaf van heffing van de leveringen door Boehringer worden verlaagd, wat resulteert in een btw-teruggaaf.

Het HvJ bevestigt in dit verband ook dat het feit dat de betaalde korting was gebaseerd op een contractuele afspraak in plaats van een wettelijke verplichting, geen invloed heeft op het bovenstaande.

Verder bevestigt het HvJ dat EU-lidstaten voorwaarden kunnen stellen aan belastingplichtigen om de maatstaf van heffing te verlagen. Aangezien het bezit van een factuur op grond van de nationale wetgeving een verplichte voorwaarde is om de maatstaf van heffing te verlagen, zou de neutraliteit van de btw worden aangetast wanneer het (bijna) onmogelijk is voor een belastingplichtige om een dergelijke factuur te ontvangen. In dat geval vereisen het beginsel van neutraliteit van de btw en het evenredigheidsbeginsel dat de EU-lidstaten belastingplichtigen de mogelijkheid bieden om met andere middelen het bewijs te leveren om de maatstaf van heffing te verlagen. Dit is zeker het geval wanneer de transacties hebben plaatsgevonden ten aanzien van een overheidslichaam zoals NEAK.

Praktische gevolgen

Voor farmaceutische bedrijven die kortingen betalen aan zorgverzekeraars is de uitkomst van deze zaak zeer positief.

Op basis van de eerste zaak Boehringer (C-462/16) was de Belastingdienst terughoudend bij het toestaan van een vermindering van de maatstaf van heffing, omdat er onder meer geen wettelijke verplichting was om de kortingen te betalen. Op basis van het huidige arrest zien wij geen rechtsgrond voor de Nederlandse Belastingdienst dat dit argument nog steeds kan worden gebruikt, aangezien het HvJ heeft bevestigd dat een (vrijwillige) betaling uit hoofde van een contractuele verplichting ook moet leiden tot een verlaging van de maatstaf van heffing.

Voor de volledigheid merken we op dat eind 2020 een Nederlandse rechter in een soortgelijke zaak oordeelde dat een farmaceutisch bedrijf bij de berekening van de btw-maatstaf rekening moet houden met de aan de zorgverzekeraars betaalde korting. De Belastingdienst heeft echter beroep aangetekend tegen de uitspraak van de Nederlandse rechter. Wij houden u op de hoogte van de verdere ontwikkelingen in deze zaak.

Tenslotte

De uitkomst van deze zaak is naar onze mening een extra bevestiging dat farmaceutische bedrijven over dergelijke kortingen om een btw-teruggaaf kunnen verzoeken. Farmaceutische bedrijven zouden hun vergoedingsregelingen in de verschillende EU-lidstaten moeten evalueren om te zien hoe dit oordeel in hun voordeel kan uitpakken.

Mocht u naar aanleiding van bovenstaande alert vragen en/of opmerkingen hebben, neem dan graag contact op met uw Deloitte adviseur.

Did you find this useful?