Article

Inhoudelijk geen duidelijkheid vanuit de Hoge Raad over btw op straatparkeren

Vandaag heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een tweetal procedures waarin kort gezegd de vraag centraal stond of een gemeente btw in rekening moet brengen bij het gelegenheid geven tot parkeren op de openbare weg (hierna: straatparkeren). Met andere woorden: handelt de gemeente hierbij als btw-ondernemer?

23 maart 2018

De Hoge Raad laat in het midden of de gemeente als btw-ondernemer moet worden aangemerkt. In beide zaken wordt aan die vraag niet toegekomen en wordt op andere gronden uitspraak gedaan. Daarmee verkrijgt de praktijk inhoudelijk helaas geen duidelijkheid.

In onze LMB-nieuwsbrief van 11 september 2017 zijn wij reeds uitgebreid ingegaan op de vraag of een gemeente voor het straatparkeren moet worden aangemerkt als btw-ondernemer en wat voor gevolgen dat tevens zou kunnen hebben voor de vennootschapsbelasting (link). Dit naar aanleiding van de conclusie van de Advocaat-generaal.

In deze Indirect Tax Alert bespreken wij de uitspraak van de Hoge Raad en benoemen wij het belang voor de praktijk. Daarbij staan we ook stil bij de potentiële gevolgen voor de vennootschapsbelasting.

Uitkomst procedures

Zoals gezegd liepen er over dit onderwerp twee procedures. In de eerste procedure oordeelde Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat de gemeente niet als btw-ondernemer moet worden aangemerkt, aangezien er niet in concurrentie wordt getreden met particuliere marktdeelnemers. In die zaak heeft de Advocaat-generaal vervolgens geconcludeerd dat de gemeente wél in concurrentie treedt en om die reden als btw-ondernemer moet worden aangemerkt.

In de tweede procedure heeft Gerechtshof Den Haag het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. In die procedure heeft de Advocaat-generaal geen conclusie uitgebracht.

In beide procedures heeft de Hoge Raad vandaag uitspraak gedaan. Het beroep in cassatie is in beide zaken ontvankelijk. 

In de zaak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was in cassatie in geschil of de ‘Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen’ onverbindend is, omdat daarin kort gezegd geen rekening wordt gehouden met btw. De Hoge Raad oordeelt dat in het midden kan blijven of de gemeente in het parkeertarief een deel btw had moeten onderscheiden. Het nationale recht noch het Unierecht biedt volgens de Hoge Raad steun voor de opvatting dat een gemeentelijke parkeerverordening niet rechtsgeldig is op de grond dat in die verordening niet is vermeld of in het tarief een bedrag aan btw is begrepen dan wel daarin niet is voorgeschreven dat op het aanslagbiljet een bedrag aan btw moet worden vermeld (link).

In de zaak van Gerechtshof Den Haag was in cassatie in geschil of de heffingsambtenaar gehouden is een factuur uit te reiken met vermelding van een van de parkeervergoeding te onderscheiden bedrag aan btw. Het Gerechtshof oordeelde hierover dat het verzoek om een btw-factuur te laten uitreiken een buiten de naheffingsaanslag parkeerbelasting gelegen belang pretendeert. De Hoge Raad onderschrijft dit oordeel van het Gerechtshof (link).

Belang voor de praktijk

In de praktijk werd met spanning uitgekeken naar de uitkomst van deze twee procedures. Mocht de Hoge Raad immers oordelen dat de gemeenten als btw-ondernemer moeten worden aangemerkt, dan zou dat in beginsel grote impact hebben voor zowel de btw als de vennootschapsbelasting.

De vraag is wat de gevolgen zijn van deze uitspraken van de Hoge Raad. Het is vast beleid dat gemeenten voor het straatparkeren niet als btw-ondernemer worden aangemerkt. Deze uitspraken van de Hoge Raad nopen naar onze mening niet tot aanpassing van dit beleid. Desalniettemin ligt er wel een conclusie van de Advocaat-generaal waarin wordt geconcludeerd dat gemeenten voor het straatparkeren als btw-ondernemer moeten worden aangemerkt. Op die conclusie is wat ons betreft het nodige af te dingen. Het zou ons daarom verbazen als op grond van de conclusie tot aanpassing van het beleid wordt overgegaan.  

Vennootschapsbelasting

Ook voor de vennootschapsbelasting (hierna: vpb) is de vraag relevant of een overheidslichaam bij straatparkeren handelt als overheid. Immers, in de parlementaire behandeling is allereerst geconstateerd dat voor de vpb in ieder geval sprake is van een overheidstaak, indien er voor de omzetbelasting wordt ‘gehandeld als overheid’. Vervolgens is ten aanzien van straatparkeren geconstateerd dat in beginsel de overheidstakenvrijstelling van toepassing is op deze activiteiten, tenzij sprake is van concurrentie met private partijen.

In de onderhavige uitspraken wordt niet ingegaan op het eventuele ondernemerschap voor de btw. Ook de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de conclusie van de Advocaat-generaal dat geen respectievelijk wel sprake zou zijn van concurrentie, worden in de uitspraak van de Hoge Raad niet behandeld.

Het is ons inziens dan ook logisch om voor de vpb de btw-kwalificatie van straatparkeren te volgen. Dit betekent dat de overheidstakenvrijstelling voor de vpb – in lijn met het huidige beleid van de Belastingdienst – nog steeds van toepassing is.

Vond u dit nuttig?