Inspecteur hoeft bij vaststellen IB-aanslag niet het VPB-dossier te raadplegen

Article

Inspecteur hoeft bij vaststellen IB-aanslag niet het VPB-dossier te raadplegen

Volgens de Hoge Raad is de inspecteur alleen gehouden om dossiers van andere belastingplichtigen of andere belastingen te raadplegen wanneer de gegevens in het dossier van de belastingplichtige daar redelijkerwijs aanleiding toe geven.

20 februari 2017

Navordering

Navordering is aan allerlei voorwaarden gebonden. Zo mag de inspecteur slechts een navorderingsaanslag opleggen indien hij over een nieuw feit beschikt, tenzij de belastingplichtige te kwader trouw is of sprake is van een redelijkerwijs kenbare fout. De centrale vraag in de discussie over de aanwezigheid van een nieuw feit, is of de inspecteur zijn onderzoekplicht heeft verzaakt. Uitgangspunt van de Hoge Raad is dat de inspecteur met vertrouwen mag afgaan op de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte opneemt. Tot een nader onderzoek is hij niet gehouden, tenzij hij aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Recentelijk heeft de Hoge Raad in dit kader geoordeeld over de vraag of de inspecteur bij het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting rekening had moeten houden met de aangifte vennootschapsbelasting van de stamrecht-bv waaruit een belastingplichtige uitkeringen ontvangt. De feiten lagen als volgt.
 

Stamrecht-bv

Belanghebbende heeft in 1991 een ontslagvergoeding gekregen in de vorm van een stamrecht. Dit stamrecht is ondergebracht in een bv waarvan hij enig aandeelhouder was. Belanghebbende heeft de in 2007 uit de stamrecht-bv ontvangen uitkering van € 46.182 als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking aangemerkt, zonder de gegevens van de bv in het daartoe bestemde vakje ‘werkgever’ in te voeren. 

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting 2007 overeenkomstig de aangifte vastgesteld, zonder daarbij de aangifte vennootschapsbelasting 2007 van de stamrecht-bv te raadplegen. Uit deze aangifte bleek dat de waarde van de stamrechtverplichting per ultimo 2007 met €227.967 was gedaald. Deze afname werd bovendien niet tot de winst gerekend, maar rechtstreeks ten gunste van het eigen vermogen geboekt. Toen de inspecteur dit ontdekte, legde hij een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2007 op waarin hij de gehele waarde van de stamrechtaanspraak als loon uit vroegere dienstbetrekking belastte. In geschil is of de inspecteur over een nieuw feit beschikt dat navordering rechtvaardigt.

Onderzoekplicht inspecteur

Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan dat aan navordering in de weg staat. Indien de inspecteur de aangifte vennootschapsbelasting van de stamrecht-bv voorafgaande aan het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting zou hebben geraadpleegd, zou direct waarneembaar zijn geweest dat de stamrechtverplichting in 2007 aanzienlijk was afgenomen. Dit had voor de inspecteur aanleiding moeten vormen voor een onderzoek naar de oorzaak daarvan.

De Hoge Raad gaat echter niet mee in de redenering van het gerechtshof. Ons hoogste rechtscollege stelt voorop dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag inkomstenbelasting in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het IB-dossier van de belastingplichtige. De inspecteur is niet verplicht om ook dossiers van andere belastingplichtigen of andere belastingen te raadplegen. Dit is alleen anders wanneer de in het IB-dossier van de belastingplichtige aanwezige gegevens hiertoe redelijkerwijs aanleiding geven. Die situatie doet zich volgens de Hoge Raad in deze zaak echter niet voor. De zaak wordt daarom verwezen naar Hof Amsterdam voor verdere inhoudelijke behandeling.
 

Bron: Hoge Raad 17 februari 2017, 16/01006, ECLI:NL:HR:2017:249 

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen