Interest Rate Swap behoort tot rendementsgrondslag box 3

Article

Interest Rate Swap behoort tot rendementsgrondslag box 3

Voor zover de Interest Rate Swap betrekking heeft op de financiering van privévermogen behoren de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen volgens de Hoge Raad tot de rendementsgrondslag van box 3.

6 februari 2018

Interest Rate Swap

De Hoge Raad heeft recentelijk een interessant arrest gewezen over de fiscale behandeling van zogenoemde interest rate swaps. Het gaat daarbij om overeenkomsten waarbij de verschuldigde variabele rente over een tussen partijen overeengekomen hoofdsom (de rekengrootheid) wordt ‘geruild’ tegen een vaste rente of vice versa.

In casu was belanghebbende in 2007 een interest rate swap met de SNS-bank overeengekomen met een looptijd van 10 jaar. Op grond van die overeenkomst was hij aan de bank een vaste rente van 4,46% verschuldigd over een als rekengrootheid fungerend bedrag van € 7.000.000, terwijl de bank aan belanghebbende een variabele rente vergoedde op basis van éénmaands Euribor. De interest rate swap had gedeeltelijk (voor 44,97%) betrekking op de financiering van privévermogen.

Vervolgens daalde de éénmaands Euriborrente ten opzichte van de situatie ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst, waardoor de interest rate swap op de voor box 3 relevante peildata (31 december 2007, 1 januari 2008 en 31 december 2008) voor belanghebbende een negatieve waarde had. In geschil was of deze negatieve waarde in aanmerking mocht worden genomen bij de berekening van het belastbare inkomen in box 3 over de jaren 2007 en 2008.

Fiscale gevolgen waardedaling

Hof Amsterdam stelde belanghebbende in het gelijk en oordeelde dat hier sprake is van ‘overige vermogensrechten’ die tot de rendementsgrondslag van box 3 behoren, althans voor zover de interest rate swap betrekking heeft op de financiering van privévermogen.

In cassatie betoogde de staatssecretaris echter dat rechten met een negatieve waarde niet als vermogensrecht in box 3 kunnen kwalificeren. Evenmin zou sprake zijn van een schuld, omdat belanghebbende niet verplicht is om de negatieve waarde te betalen. De Hoge Raad verwerpt deze redenering echter en oordeelt dat het recht op vergoeding van variabele rente een vermogensrecht is in de zin van het Burgerlijk Wetboek. De daartegenover staande verplichting om aan de bank een vaste rente te vergoeden is een schuld met waarde in het economische verkeer.

Omdat de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de interest rate swap als één geheel zijn overeengekomen, moeten zij volgens de Hoge Raad voor de heffing in box 3 ook als eenheid worden gewaardeerd. In casu had de interest rate swap voor belanghebbende per saldo een negatieve waarde. Voor zover die negatieve waarde toerekenbaar is aan de financiering van privévermogen, mag belanghebbende deze als schuld in box 3 in aanmerking nemen. Het cassatieberoep van de staatssecretaris is ongegrond.


Bron: HR 2 februari 2018, 17/00057, ECLI:NL:HR:2018:123 

Vond u dit nuttig?