Lage sterftekans staat niet in de weg aan periodieke giftenaftrek | Deloitte Nederland

Article

Lage sterftekans staat niet in de weg aan periodieke giftenaftrek

De wetgever heeft de vijfjaarseis voor het doen van periodieke uitkeringen gesteld om geschillen te voorkomen over de vraag of sprake is van een risico-element van wezenlijke betekenis. Ook afhankelijkheid van meerdere levens staat niet in de weg aan de kwalificatie als periodieke gift.

13 oktober 2022

Achtergrond en feiten

Belanghebbende is voorzitter van het bestuur van een stichting, welke voor het jaar 2012 is aangemerkt als een ANBI (een algemeen nut beogende instelling). Bij notariële akte zijn belanghebbende en zijn echtgenote de verplichting aangegaan om bij wijze van schenking gedurende een periode van vijf kalenderjaren jaarlijks periodieke uitkeringen aan de stichting te doen (€ 50.000 per jaar). In de akte is tevens bepaald dat de verplichting behalve door tijdsverloop vervalt door het overlijden van de langstlevende schenker. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2012 heeft belanghebbende het volledige bedrag van de in dat jaar betaalde gift als persoonsgebonden aftrekpost in aanmerking genomen. De Inspecteur is het daar niet mee eens en stelt dat geen sprake is van een periodieke gift, omdat de sterftekans van belanghebbende en zijn partner gedurende de betreffende periode lager is dan 1%. Het betaalde bedrag kwalificeert als ‘andere gift’ en is dan slechts aftrekbaar tot 10% van het verzamelinkomen. Belanghebbende gaat in beroep.

Oordeel rechtbank en hof

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft beoogd om geschillen omtrent het onzekerheidsvereiste te voorkomen met het vereiste van de vijfjaarstermijn. Nu belanghebbende daaraan heeft voldaan, kan de betaalde uitkering volgens de rechtbank aangemerkt worden als een periodieke gift.

Hof ’s-Hertogenbosch volgt daarentegen in hoger beroep de redenatie van de Inspecteur. Het Hof oordeelt dat door naleving van het vijfjaarstermijn niet automatisch voldaan is aan het vereiste van een wezenlijke materiële onzekerheid. Dat de wetgever, in gevallen waarin de jaarlijkse betaling afhankelijk is van meerdere levens, onverkort zou hebben willen aanvaarden dat aan dat vereiste is voldaan, zonder materiële toetsing van het overlijdensrisico, kan naar het oordeel van het Hof niet uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid. Ook is het hof van oordeel dat de kans dat de stichting haar ANBI-status verlies niet mag worden meegenomen bij de bepaling van de omvang van de materiële onzekerheid.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt de redenatie van het Hof en sluit zich aan bij de uitspraak van de rechtbank. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever het vereiste van de vijfjaarstermijn heeft opgenomen juist om geschillen te voorkomen over de vraag of sprake is van een risico-element van wezenlijke betekenis. Wanneer voldaan is aan de vereiste vijfjaarstermijn, is daarmee de aanwezigheid van een risico-element van wezenlijke betekenis gegeven. Dat de feitelijke sterftekans lager is dan 1% staat dan niet in de weg aan de kwalificatie als periodieke gift. Ook de omstandigheid dat een periodieke gift afhankelijk is van meerdere levens staat blijkens de wettekst niet aan die kwalificatie in de weg. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van belanghebbende gegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.


Bron: HR 7 oktober 2022, 21/00732, ECLI:NL:HR:2022:1377

Did you find this useful?