Nederland mag premieaftrek voor lijfrente- en pensioenaanspraken bij emigratie (deels) terugnemen

Article

Nederland mag premieaftrek voor lijfrente- en pensioenaanspraken bij emigratie (deels) terugnemen

De Hoge Raad oordeelt dat het terugnemen van de voorwaardelijke verleende aftrek van pensioen- en lijfrentepremies niet in strijd komt met de goede verdragstrouw, uitgezonderd de periode 1 januari 2001 tot 16 juli 2009.

24 juli 2017

English version

Feiten en omstandigheden

Een ondernemer heeft zijn onderneming ingebracht in een besloten vennootschap en daarbij een gerichte lijfrente bedongen. Daarnaast heeft hij pensioen in eigen beheer opgebouwd. De premies die werden betaald voor de lijfrente en pensioenopbouw waren fiscaal aftrekbaar. Op 31 december 2014 is de belastingplichtige geëmigreerd naar Frankrijk. Naar aanleiding hiervan is aan hem een conserverende aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Hierin zijn de eerder in aftrek gebrachte bedragen in de grondslag opgenomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.


Emigratieheffing

De belastingheffing over zowel lijfrente- als pensioenuitkeringen is volgens het belastingverdrag echter ter heffing aan Frankrijk toegewezen. Daarom rijst de vraag of Nederland handelt in strijd met de goede verdragstrouw door eerder verleende aftrekposten voor deze inkomensvoorzieningen terug te nemen bij emigratie. De Hoge Raad oordeelt echter dat dit niet het geval is. Nederland heft namelijk niet over de aan Frankrijk toegewezen lijfrente- of pensioenaanspraken, maar neemt slechts een voorwaardelijk verleende aftrek terug door middel van het opleggen van een conserverende aanslag. De Hoge Raad voegt hieraan toe dat rekening moet worden gehouden met de periode waarin de premies zijn betaald. Daarbij moet ook een onderscheid worden gemaakt tussen de lijfrente- en pensioenopbouw.


Compartimentering

In de periode tussen 1 januari 2001 (datum inwerkingtreding Wet IB 2001) en 16 juli 2009 werd bij emigratie wel geheven over waarde van lijfrenteaanspraken. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat deze handelwijze in strijd is met de goede verdragstrouw. Wanneer een conserverende aanslag mede betrekking heeft op premies welke in die periode zijn betaald, moet compartimentering plaatsvinden. De premieaftrek had in de desbetreffende periode geen voorwaardelijk karakter, en mag dan ook niet door middel van een conserverende aanslag worden teruggenomen. Hetzelfde geldt voor lijfrentepremies die vóór 1 januari 1992 zijn betaald, omdat de wet toen nog geen mogelijkheid kende om in aftrek gebrachte persoonlijke verplichtingen bij niet-naleving van bepaalde voorwaarden terug te nemen.

Ook ten aanzien van de pensioenpremies dient compartimentering plaats te vinden. Hier geldt echter dat eerder in aftrek gebrachte bedragen alleen als negatieve uitgaven kunnen worden belast wanneer de premies na 15 juli 2009 zijn betaald.


Commentaar

Met dit arrest geeft de Hoge Raad voor het eerst antwoord op een door een lagere rechter gestelde prejudiciële vraag. Daarmee is sprake van een unicum. Het prejudiciële karakter veronderstelt dat meer belastingplichtigen met een dergelijke conserverende aanslag zijn geconfronteerd. Al deze belastingplichtigen hebben nu meer duidelijkheid.

De uitkomst van het arrest is desondanks enigszins onbevredigend. Er lijkt sprake te zijn van een juridisch handhaafbaar oordeel, door de negatieve inkomensvoorziening aan te merken als het terugnemen van een voorwaardelijk voordeel. Praktisch lijkt dit echter te kunnen leiden tot zwaardere belastingheffing in grensoverschrijdende verhoudingen, met name wanneer het immigratieland de lijfrente- en pensioenaanspraken belast. In een volledig Nederlandse situatie zou Nederland de aanspraken ook belasten, maar zouden de premies aftrekbaar zijn geweest. Nu zijn de premies niet langer aftrekbaar en worden de aanspraken mogelijk wel belast (door Frankrijk). Of dit in de Europese interne markt is toegestaan is niet aan de orde geweest.


Bron: Hoge Raad 14 juli 2017, 17/01256, ECLI:NL:HR:2017:1324

Vond u dit nuttig?