Nieuw beleidsbesluit inzake de deelnemingsvrijstelling

Article

Nieuw beleidsbesluit inzake de deelnemingsvrijstelling

Het nieuwe beleidsbesluit inzake de deelnemingsvrijstelling bevat naast nieuwe goedkeuringen ook standpuntbepalingen en aanscherpingen van het bestaande beleid. Het nieuwe beleid is op 21 januari 2017 in werking getreden.

21 maart 2017

English version

Kroonjuweel

De deelnemingsvrijstelling wordt wel eens getypeerd als een kroonjuweel van het Nederlandse fiscale vestigingsklimaat. Deze regeling zorgt ervoor dat dividend dat een Nederlandse bv ontvangt uit een belang van minimaal 5% in een Nederlandse of buitenlandse dochtermaatschappij, niet met Nederlandse vennootschapsbelasting wordt belast. Daarnaast zijn ook koerswinsten (bijvoorbeeld behaald bij verkoop van het belang) vrijgesteld. De keerzijde is dat eventuele verliezen bij verkoop van het aandelenpakket niet aftrekbaar zijn. De wet kent daar overigens een uitzondering op: een verlies behaald bij liquidatie van de dochtermaatschappij is wel aftrekbaar. De Nederlandse deelnemingsvrijstelling is in de internationale praktijk misschien wel de belangrijkste Nederlandse fiscale faciliteit. De importantie van het uitvoeringsbeleid dat de staatssecretaris van Financiën hanteert bij de toepassing van de deelnemingsvrijstelling, kan derhalve nauwelijks worden overschat. Recentelijk heeft de staatssecretaris van Financiën het beleidsbesluit over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling ingrijpend herzien. Dat werd ook tijd, want het oude beleidsbesluit was al bijna zeven jaar oud. Het nieuwe besluit geldt vanaf 21 januari 2017, en telt maar liefst twintig nieuwe elementen, waaronder een aantal belangrijke goedkeuringen. In deze nieuwsbrief beperken wij ons tot twee belangrijke onderwerpen, te weten de valutakoersproblematiek alsmede de liquidatieverliesregeling.


Fx-resultaten

Bij belangen in buitenlandse dochtermaatschappijen die niet in de Eurozone zijn gelegen, speelt de valutaproblematiek vaak een rol. Een valutakoersresultaat, ook wel fx-resultaat genoemd, op een deelneming valt onder de deelnemingsvrijstelling. Om financiële risico’s te vermijden, worden dergelijke valutakoersrisico’s vaak afgedekt door het afsluiten van een afdekkingsinstrument (hedging). Het koersrisico wordt in dat geval (geheel of deels) teniet gedaan door de tegengestelde koersbeweging van het afdekkingsinstrument. In beginsel valt een dergelijk afdekkingsinstrument niet onder de deelnemingsvrijstelling. Om te voorkomen dat door deze fiscale mismatch alsnog een in de fiscale winst te begrijpen fx-resultaat ontstaat, kent de wet echter een mogelijkheid om afdekkingsinstrumenten die verband houden met een deelneming ook onder de vrijstelling te brengen. Om hiervan gebruik te maken, moet per afdekkingsinstrument een verzoekprocedure worden gestart. Voor ondernemingen die met grote regelmaat dergelijke afdekkingsinstrumenten afsluiten, kan dit een bewerkelijke aangelegenheid zijn. Het nieuwe beleidsbesluit bevat de mogelijkheid tot het afsluiten van een raamovereenkomst met de inspecteur, waar men vervolgens nieuwe afdekkingsinstrumenten kan onderbrengen zonder tussenkomst van de inspecteur. Uiteraard worden in het beleidsbesluit administratieve voorwaarden gesteld.

Een ander positief te waarderen nieuw element is dat de staatssecretaris goedkeurt dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op een financiële positie in vreemde valuta die in aanloop naar de daadwerkelijke verwerving van een buitenlandse deelneming wordt opgebouwd. Daarentegen neemt de bewindsman een vrij rigide standpunt in als het gaat om afdekking van fx-resultaten van indirecte deelnemingen. Volgens de bewindsman valt het afdekkingsinstrument buiten de draaicirkel van de deelnemingsvrijstelling voor zover het ziet op valutakoersrisico’s die verband houden met de door de dochtermaatschappij gehouden buitenlandse deelnemingen. Centrale afdekking van valutakoersrisico’s komt in de praktijk regelmatig voor. Zijn standpunt kan in de praktijk tot allerlei moeilijk te beantwoorden splitsings- en toerekeningsvraagstukken leiden.


Liquidatieverliesregeling

Zoals opgemerkt is het verlies dat een bv op een deelneming lijdt bij liquidatie van de desbetreffende dochtermaatschappij in beginsel aftrekbaar. Volgens de wettelijke regeling is het liquidatieverlies het bedrag waarmee het (voor de verwerving van de deelneming) opgeofferde bedrag het totaal aan liquidatie-uitkeringen overtreft, en wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de vereffening van het vermogen van de dochtermaatschappij is voltooid.

De regeling bepaalt echter dat het liquidatieverlies niet aftrekbaar is als de dochtermaatschappij recht heeft op ‘enigerlei tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van de onverrekende verliezen van die dochtermaatschappij. In het beleidsbesluit geeft de staatssecretaris zijn mening over wat de woorden ‘enigerlei tegemoetkoming’ inhouden. Dat speelt volgens de staatssecretaris bijvoorbeeld als de buitenlandse dochtermaatschappij in het vestigingsland gebruik maakt van een lokale regeling op grond waarvan het verlies aan een andere concernvennootschap kan worden overdragen. Een dergelijke regeling geldt bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk (group relief). Opmerkelijk is dat de staatssecretaris van mening is dat er reeds sprake is van ‘enigerlei tegemoetkoming’ indien de dochtermaatschappij louter de mogelijkheid heeft om gebruik te maken van zo’n regeling, ook al doet de dochtermaatschappij niet daadwerkelijk een beroep op die faciliteit. Waarom de dochtermaatschappij geen beroep doet op de regeling, is kennelijk niet relevant. Denkbaar is dat men met goede redenen afziet van de regeling, bijvoorbeeld omdat daar andere, meer bezwarende gevolgen aan zijn verbonden. De Nederlandse equivalent, de fiscale eenheid, is immers ook niet zonder nadelen. Volgens het standpunt van de staatssecretaris bestaat dan desalniettemin geen recht op aftrek van liquidatieverlies. Met recht kan de vraag worden gesteld of deze strikte uitleg in lijn is met de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie. Volgens die rechtspraak moet de fiscus het immers toestaan dat een bv een buitenlands verlies dit verlies in Nederland te gelde maakt als alle lokale vergeldingsmogelijkheden zijn uitgeput.

Een andere wettelijke beperking in de liquidatieverliesregeling betreft de voorwaarde dat de onderneming van de te liquideren dochtermaatschappij niet elders binnen het concern mag worden voortgezet. Is dat wel het geval, dan mag het liquidatieverlies pas worden verrekend als de onderneming uiteindelijk is gestaakt (ingeval de onderneming door de belastingplichtige zelf is voortgezet) dan wel (ingeval de onderneming door een andere dochtermaatschappij is voortgezet) de andere dochtermaatschappij wordt geliquideerd. Van belang is dus of de onderneming van de te liquideren dochtermaatschappij al dan niet definitief is gestaakt. De staatssecretaris merkt in dit beleidsbesluit op dat ook eventuele beleggingsactiviteiten van de dochtermaatschappij niet mogen worden voortgezet. Hoewel deze uitleg enige basis heeft in de parlementaire behandeling van de desbetreffende bepaling, kleeft er toch een groot probleem aan. Fiscaalrechtelijk zijn de begrippen ondernemen en beleggen in veel regelingen immers elkaars absolute tegenpolen. Omdat in de wet zelf niet is vastgelegd dat onder ondernemen ook beleggen dient te worden verstaan, lijkt de kans reëel dat dit standpunt van de staatssecretaris in voorkomende gevallen voor de rechter geen stand houdt. Men kan immers evenmin hondenbelasting heffen over een kat, tenzij in de wettekst van de hondenbelasting zelf is vastgelegd dat onder ‘ hond’ ook een kat moet worden verstaan.


Bron: Besluit van 20 januari 2017, nr. BLKB2016/803M, Stcrt. 2017, nr. 5003

Vond u dit nuttig?