Update Wet DBA

Nieuws

Nieuwsbrief Lokaal- en Middenbestuur

Graag informeren wij u over de actualiteiten op het gebied van de btw, loonheffingen en vennootschapsbelasting

11 September 2017

Inhoudsopgave

1. Btw

  • Gemeente btw-ondernemer voor straatparkeren?
  • Verstrekkingen aan burgers en btw-compensatie?
  • Verhuur vergaderruimte kwalificeert als verhuur-plus


2. Loonheffingen

  • Het lage inkomensvoordeel (LIV), één cadeautje voor uw organisatie?
  • Update Wet DBA; Handhaving tijdens de implementatiefase
  • Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag ook van toepassing bij overeenkomst van opdracht
  • Rekenregels 2018 WGA en ZW gepubliceerd, tijd voor actie?
  • Reparatieregeling negatieve gevolgen omtrent eigenrisicodragers WGA-totaal
  • Principeakkoord Cao Gemeenten – Terugdringing payrolling in gemeenteland?


3. Vennootschapsbelasting

  • Nieuwsbrief PostQuickScan
  • Seminar grondbedrijven
  • Aangifte Vpb 2016
  • Renteaftrek / ATAD 2
  • Artikel GREXpert


4. Meer informatie


1. Btw

Gemeente btw-ondernemer voor straatparkeren?
Recent heeft de Advocaat-generaal van de Hoge Raad een interessante conclusie gewezen over de btw-hoedanigheid van een gemeente bij het gelegenheid geven tot parkeren op de openbare weg (hierna: straatparkeren). In deze bijdrage gaan wij hier nader op in. Ook staan we kort stil bij de potentiële gevolgen voor de vennootschapsbelasting.

Indien een voertuig op (c.q. langs) de openbare weg wordt geparkeerd is een gemeente onder voorwaarden gerechtigd parkeerbelasting te innen. Bij niet-betaling van de parkeerbelasting of overschrijding van de parkeertijd kan er een boete worden opgelegd. Tot op heden wordt ervan uitgegaan dat gemeenten in deze situatie als overheid optreden, zodat de parkeeropbrengsten onbelast zijn voor de btw. De btw op gemaakte kosten (zoals de aanschaf van een parkeermeter) komt voor een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds (hierna: BCF) in aanmerking.

Indien er sprake is van parkeren waarbij de inning van parkeergelden wordt gewaarborgd door een fysieke barrière (bijvoorbeeld een slagboom) of kentekenregistratie (door middel van een camera), handelt een gemeente als btw-ondernemer. De parkeeropbrengsten zijn in dat geval belast met btw en daar staat tegenover dat de gemeente recht op aftrek heeft voor betaalde btw op kosten en investeringen (zoals de bouw van een parkeergarage).

Er wordt al enige tijd geprocedeerd over de vraag of een gemeente bij het gelegenheid geven tot straatparkeren als overheid moet worden aangemerkt. De uitspraken van de rechters hierover zijn wisselend. Zo heeft Rechtbank Gelderland eind 2016 geoordeeld dat een gemeente als btw-ondernemer moet worden aangemerkt voor het gelegenheid geven tot straatparkeren. Aan de andere kant heeft Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de onderhavige procedure geoordeeld dat de gemeente als overheid moet worden aangemerkt. Tot slot is er nog een recente uitspraak van Gerechtshof Den Haag waarin kortweg beslist is dat de belanghebbende geen procesbelang heeft, zodat hij niet ontvankelijk is.

Situatieschets
De gemeente Groningen heeft in de onderhavige procedure een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan een btw-ondernemer (hierna: belanghebbende) voor het parkeren op de openbare weg. Belanghebbende is van mening dat de gemeente voor het gelegenheid geven tot straatparkeren als btw-ondernemer handelt en zodoende een factuur met btw had moeten uitreiken. Die btw zou bij belanghebbende aftrekbaar zijn geweest.

Belanghebbende heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. Het bezwaar is afgewezen door de heffingsambtenaar van de gemeente. De Rechtbank wijst het beroep van belanghebbende vervolgens ook af, omdat het niet ontvankelijk is. Vervolgens wordt ook het hoger beroep van belanghebbende afgewezen. Het Gerechtshof oordeelt dat belanghebbende weliswaar ontvankelijk is, maar dat de gemeente als overheid handelt. Er is volgens het Gerechtshof geen sprake van concurrentie met particuliere exploitanten van parkeergelegenheid, in welk geval de gemeente als btw-ondernemer zou moeten worden aangemerkt. Tegen deze uitspraak is beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

Conclusie Advocaat-generaal Hoge Raad
De Advocaat-generaal komt allereerst tot de conclusie dat belanghebbende ontvankelijk is. Vervolgens gaat zij uitgebreid in op de vraag of de gemeente met het straatparkeren in concurrentie treedt met particuliere exploitanten van parkeergelegenheid. In tegenstelling tot het Gerechtshof concludeert de Advocaat-generaal dat er sprake is van concurrentieverstoring. Bezien vanuit de modale consument gaat het immers om gelijksoortige diensten, die op dezelfde markt worden verleend. Om die reden moet de gemeente als btw-ondernemer worden aangemerkt.

Vervolg procedure
Zoals blijkt uit de diverse jurisprudentie en de conclusie van de Advocaat-generaal, wordt er wisselend aangekeken tegen de btw-hoedanigheid van gemeenten bij het straatparkeren. Op korte termijn zal de Hoge Raad uitspraak doen in deze procedure en verkrijgen we hopelijk duidelijkheid. Daarvoor is het noodzakelijk dat de Hoge Raad belanghebbende ontvankelijk acht. Het is niet uit te sluiten dat de Hoge Raad de zaak niet direct zelf afdoet, maar dat er eerst prejudiciële vragen worden gesteld aan het Europese Hof van Justitie of dat er wordt terugverwezen naar een Gerechtshof.

Belang voor de btw-praktijk
Als gemeenten als btw-ondernemer worden aangemerkt voor het straatparkeren heeft dat behoorlijke financiële consequenties. Waar de parkeeropbrengsten uit het straatparkeren op dit moment netto zijn, moet daar vanaf dan 21% btw uit worden afgedragen. Gemeenten zullen dan de afweging moeten maken of de btw-last wordt neergelegd bij de burger (dat wil zeggen: de parkeertarieven worden aangepast) of dat de btw voor eigen rekening wordt genomen (de parkeertarieven blijven gelijk). Een tussenweg is uiteraard ook mogelijk. Aan de kostenkant verandert er feitelijk weinig. Waar de btw thans compensabel is, zal die dan aftrekbaar zijn. Van herziening op investeringen is in deze situatie geen sprake.

Gevolgen voor de vennootschapsbelasting
Ook voor de vennootschapsbelasting is deze procedure van groot belang. Gemeenten zijn per 1 januari 2016 belastingplichtig geworden voor de vennootschapsbelasting. In de wetgeschiedenis is de mogelijke belastingplicht voor straatparkeren aan de orde geweest. De Staatssecretaris heeft aangegeven dat straatparkeren voor de behandeling voor de vennootschapsbelasting, net als voor de btw, moet worden aanmerkt als handelen als overheid. Vervolgens stelt de Staatssecretaris dat bij parkeren op de openbare weg geen sprake is van concurrentie met private partijen. Dit leidt tot de conclusie dat een gemeente volgens de Staatssecretaris de overheidstakenvrijstelling kan claimen, mits de gemeente deze activiteit zelf uitvoert, waardoor de activiteit effectief niet in de heffing wordt betrokken.

Indien de conclusie van de Advocaat-generaal door de Hoge Raad wordt gevolgd, komt het standpunt van de Staatssecretaris mogelijk onder druk te staan. De vraag die opkomt, is of het concurrentiebegrip in de btw gelijk is aan het begrip in de vennootschapsbelasting. Parallellen lijken hier wel duidelijk aanwezig. Indien de Hoge Raad beslist dat in de onderhavige procedure sprake is van concurrentie, dan is de Staatssecretaris aan zet om de betekenis van het arrest te vertalen naar de vennootschapsbelasting. Onze verwachting is dat daarbij ook staatssteunaspecten worden meegenomen. Vraag die dan nog rest is of vanaf 1 januari 2016 de activiteit in de heffing wordt betrokken, dan wel dat de uitkomst pas geldend is vanaf het moment dat het arrest gewezen wordt. Dit is nog niet duidelijk.

Indien voor de vennootschapsbelasting straatparkeren in de heffing wordt betrokken, kan dit grote financiële gevolgen en hebben voor gemeenten met betaald straatparkeren. Uiteraard moet langs de bekende lijnen worden bepaald of er dan een onderneming wordt gedreven. Indien dit het geval is, moet mogelijk bij de komende begrotingsronde rekening worden gehouden met het effect van deze conclusie.

Tot slot leidt het niet kunnen toepassen van de overheidstakenvrijstelling ertoe dat het nog belangrijker wordt om aan de fiscale compliance verplichtingen te voldoen, aangezien het uiteindelijke resultaat dan niet meer is vrijgesteld. Hierbij kan worden gedacht aan het bepalen en opstellen van de openingsbalans, het bepalen van de jaarwinst inclusief een juiste kostenallocatie en het opnemen in de aangifte. Vooral gemeenten die op het resultaat uit alle ondernemingsactiviteiten (dus inclusief straatparkeren) een winstvrijstelling kunnen toepassen, zullen geconfronteerd worden met het feit dat de aangifteplicht zich naast het straatparkeren gaat uitstrekken tot alle ondernemingsactiviteiten. Naast de vennootschapsbelastingdruk op het straatparkeren leidt dat ook tot een forse administratieve lastenverzwaring.

Zodra de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in deze zaak, brengen wij u daar vanzelfsprekend van op de hoogte.

Verstrekkingen aan burgers en btw-compensatie
De afgelopen tijd zijn enkele gemeenten in het nieuws geweest vanwege de verstrekking van bijvoorbeeld smartphones aan bepaalde groepen van inwoners, zoals kinderen van minder vermogende gezinnen.
Hoewel het strikt genomen niet altijd de gemeenten zelf zijn die dergelijke verstrekkingen doen, staan we toch even kort stil bij de btw-aspecten die hierbij voor gemeenten aan de orde (kunnen) zijn.

Indien en voor zover gemeenten zelf goederen aanschaffen en verstrekken aan burgers, doen ze dat voor de btw in de regel in de hoedanigheid van overheid / niet-ondernemer. De betaalde btw komt daarom in beginsel voor een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds (hierna: BCF) in aanmerking. Een belangrijke uitzondering hierop vormt de uitsluitingsbepaling van artikel 4, lid 1, sub a van de Wet op het BTW-compensatiefonds. Op grond van die bepaling is btw niet compensabel voor ingekochte goederen en diensten die (al dan niet tegen vergoeding) verstrekt worden aan één of meerdere individuele derden.

Bij het door gemeenten verstrekken van bijvoorbeeld smartphones aan burgers kan als uitgangspunt worden genomen dat de btw niet compensabel is. Desondanks zijn er situaties denkbaar waarin de btw toch compensabel zou moeten zijn. Wij denken hierbij vooral aan de situatie waarin de gemeenten collectief goederen inkoopt voor een bepaalde groep van inwoners (bijvoorbeeld alle kinderen van minimagezinnen). Het gaat dan niet om een specifieke aanschaf en verstrekking aan een individuele burger. Een soortgelijk standpunt heeft het Ministerie enige tijd terug ook ingenomen in het kader van kosten gemaakt voor de opvang van asielzoekers.

Omdat we in de praktijk ervaren dat de Belastingdienst de hiervoor besproken uitsluitingsbepaling strikt uitlegt, is het raadzaam bij twijfel vooraf om een standpunt te verzoeken.

Verhuur vergaderruimte kwalificeert als verhuur-plus
Rechtbank Zeeland/West-Brabant heeft onlangs een interessante uitspraak gedaan over de terbeschikkingstelling van vergaderruimten en een concert/theaterzaal in een multifunctionele accommodatie. Volgens de Rechtbank is de terbeschikkingstelling belast met btw.

Situatieschets
Een gemeente heeft een multifunctionele accommodatie gerealiseerd met bibliotheek, een sporthal, een beugelbaanhal, een horecabedrijf, een concert-/theaterzaal en drie vergaderruimten. Vervolgens heeft de gemeente de multifunctionele accommodatie (met uitzondering van de bibliotheek) verhuurd aan een exploitant. De beugelbaanhal en concert/theaterzaal enerzijds en de drie vergaderruimten anderzijds zijn van elkaar gescheiden door middel van schuifwanden en kunnen eventueel gecombineerd worden.

De vergaderruimten worden voor zowel kortdurig als langdurig ter beschikking gesteld aan diverse gebruikers (zoals lokale verenigingen, instellingen en ondernemers), voor verschillende doeleinden. In dit kader verricht de exploitant enkele aanvullende diensten waarvoor zij geen afzonderlijke vergoeding aan de gebruikers berekent. Zo zorgt de exploitant o.a. voor het toezicht op en het beheer van de zalen, de schoonmaak van de zalen, de verwarming/koeling en de verlichting van de zalen en geeft zij gelegenheid om gebruik te maken van internet. Daarnaast worden tegen vergoeding beamers en schermen ter beschikking gesteld en wordt licht en geluid door de exploitant verzorgd. De gebruiker krijgt geen sleutel of exclusief gebruiksrecht van de ruimten.

In geschil is of de terbeschikkingstelling van de vergaderruimten en de concert/theaterzaal voor langdurig gebruik kwalificeert als btw-vrijgestelde verhuur of dat er sprake is van verhuur-plus (btw-belast). Rechtbank Zeeland/West-Brabant is in dit kader nagegaan of de door de exploitant verrichte handelingen één prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen. Dat is volgens de Rechtbank het geval. Er is sprake van één prestatie niet zijnde verhuur, maar een andersoortige dienst (“verhuur-plus”, belast met btw). Het is de gebruikers namelijk te doen om het totaalpakket aan dienstverlening, dat een specifiek gebruik van de ruimten faciliteert. Daarnaast worden de ruimten wisselend gebruikt, hoewel daarvoor dus ook overeenkomsten voor een langere periode gesloten kunnen worden.

Belang voor de praktijk
Gemeenten zijn vaak betrokken bij de realisatie en exploitatie van multifunctionele accommodaties. Voor de btw-optimalisatie is het in de regel wenselijk dat zoveel mogelijk btw-belaste exploitatie plaatsvindt. Een btw-belaste exploitatie betekent immers recht op aftrek van btw op de kosten van de investering en de exploitatie. Daar staat tegenover dat btw moet worden voldaan uit de exploitatieopbrengsten. Per saldo is het veelal toch gunstig in de btw-belaste sfeer te zitten, zeker als de exploitatie gedeeltelijk wordt gesubsidieerd.

Hoewel deze uitspraak gelet op het vorenstaande dus positief is, blijft in de praktijk veel te doen rondom verhuur-plus. Hoewel er steeds meer rechtspraak is waarin tot verhuur-plus wordt geconcludeerd, blijft de Belastingdienst terughoudend. Gelet op het strikte beleid vanuit het Ministerie op dit punt, is dat overigens ook niet onbegrijpelijk. Naar onze mening is er inmiddels echter voldoende aanleiding om het beleid op dit punt te herzien.

Wij zijn graag bereid met u te bekijken of in voorkomende gevallen sprake is van verhuur-plus en daarover eventueel de discussie aan te gaan me de Belastingdienst.

Uiteraard houden wij u op de hoogte van de verdere ontwikkelingen op dit gebied.


2. Loonheffingen

Het Lage inkomensvoordeel (LIV), één cadeautje voor uw organisatie?
Ook als u meer dan 125% van het wettelijk minimumloon betaalt, kan het zijn dat u recht hebt op een tegemoetkoming in de loonkosten voor werknemers met een gemiddeld uurloon (loon SV) dat lager is dan € 12,08 (125% van het minimumuurloon 2017). Meer informatie leest u hieronder.

Het LIV is per 1 januari 2017 ingevoerd. Het LIV kan oplopen tot € 2.000 per werknemer per jaar. Hoeveel dit voordeel precies is, hangt af van het aantal verloonde uren en het gemiddelde uurloon voor het LIV. Daarnaast dient aan de volgende drie voorwaarden te worden voldaan om recht te hebben op het LIV:

  • De werknemer verdient tussen de 100% en 125% van het wettelijk minimumloon (bedrag 23 jaar en ouder).
  • De werknemer heeft ten minste 1.248 verloonde uren per jaar.
  • De werknemer heeft de AOW-leeftijd nog niet bereikt.

Veel werkgevers verwachten wel of juist niet in aanmerking te komen voor het LIV. Uit de praktijk blijkt dat deze verwachting niet altijd correct is. Dit komt bijvoorbeeld voort uit het feit dat er niet altijd rekening wordt gehouden met het effect van de inhouding van onder andere pensioenpremies, lagere loonbetalingen bij ziekte, cafetariaregelingen en de wijze van uitbalen van bereikbaarheidsdiensten. Kortom, tijd om eens goed te kijken of uw organisatie wel of niet in aanmerking komt voor het LIV.

Wat kan Deloitte hierin betekenen?
Met onze analysetool kunnen wij snel en efficiënt vaststellen of en op welke onderdelen uw huidige werkwijze met het oog op het LIV dient te worden aangepast om tot een juiste vaststelling van het LIV te komen en eventueel boetes wegens een foute aangifte te voorkomen.

Bent u benieuwd naar de hoogte van het LIV voor uw organisatie? Wij kunnen tevens op basis van de aangiften loonheffingen over de eerste helft van 2017 een indicatieve berekening maken van werknemers waar u mogelijk het LIV voor gaat ontvangen.

Update Wet DBA; Handhaving tijdens de implementatiefase
De implementatietermijn van de Wet DBA is verschoven naar 1 juli 2018, moet u binnen uw organisatie nu al actie ondernemen? Ja!
De werkwijze van de Belastingdienst tijdens de implementatiefase van de Wet DBA is door de Staatsecretaris van Financiën in augustus 2017 gepubliceerd. De Belastingdienst blijft een coachende rol hebben gedurende de implementatiefase, tenzij uw organisatie als evident kwaadwillende aangemerkt kan worden. Naar aanleiding hiervan zijn er vier situaties gepubliceerd waarin de inspecteur in ieder geval contact opneemt met de Stuurgroep DBA om te bekijken of u evident kwaadwillende bent:

  1. Uw organisatie voldoet niet aan de inspanningsverplichting, ook niet na verzoek van de Belastingdienst.
  2. De Belastingdienst heeft bij uw organisatie al voor 1 februari 2016 een (fictieve) dienstbetrekking geconstateerd. De situatie is in de tussentijd niet veranderd.
  3. De inspecteur stelt en bewijst dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet binnen uw organisatie.
  4. Bij een controle binnen uw organisatie blijkt dat al vóór 1 mei 2016 sprake was van een dienstbetrekking en de zzp’er voor deze periode geen VAR-wuo of VAR-dga heeft overlegd.

Wilt u overleggen over de hiervoor opgenomen situaties danwel over de werkwijze van uw organisatie, neem dan contact op met uw contactpersoon bij Deloitte.

Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag ook van toepassing bij overeenkomst van opdracht
De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) wordt per 1 januari 2018 gewijzigd. Als gevolg van deze wijziging dient uw organisatie ook bij personen die werken op basis van een overeenkomst van opdracht en niet vanuit de uitoefening van een beroep of bedrijf te voldoen aan de wet- en regelgeving van de WML. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan het uitbetalen van het wettelijk vakantiegeld en het uitbetalen van het wettelijk minimumloon voor de verrichtte werkzaamheden.

Wij adviseren u om de overeenkomsten met zzp’ers nogmaals goed in beeld te brengen en daar waar nodig nieuwe afspraken te maken, zodat wordt voldaan aan de WML.

Rekenregels 2018 WGA en ZW gepubliceerd, tijd voor actie?
De UWV heeft op vrijdag 1 september de nieuwe rekenregels bekend gemaakt voor de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikte (hierna: WGA) en de Ziektewet-flex (hierna: ZW-flex). Op basis van de gepubliceerde regels gaat een groot deel van de werkgevers die publiek verzekerd zijn voor de WGA in 2018 minder premie betalen. Werkgevers die publiek verzekerd zijn voor de ZW-flex gaan veelal meer premie betalen. De nieuwe regels zorgen ervoor dat het voor uw organisatie rendabel kan zijn om te bekijken of het gunstig is om eigenrisicodrager voor de WGA en/of ZW-flex te worden of te blijven. Let wel, u dient vóór 1 oktober 2017 de aanvraag in te dienen om per 1 januari 2018 eigenrisicodrager te worden en vóór 1 april 2018 om per 1 juli 2018 eigenrisicodrager te worden.

Wij bieden u graag een helpende hand voor de analyse omtrent het wel of niet worden van eigenrisicodrager, neem hiervoor contact op met uw contactpersoon bij Deloitte of onze sociale zekerheidspecialiste Jolanda Jansen via 06 1234 2766 of jjansen@deloitte.nl

Reparatieregeling negatieve gevolgen omtrent eigenrisicodragers WGA-totaal
De heer Asscher, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, heeft op 28 augustus 2017 een aankondiging gedaan aan de Voorzitter van de Tweede Kamer inzake een reparatieregeling voor eigenrisicodragers WGA. Deze reparatieregeling komt voort uit de wijziging die per 1 januari 2017 van kracht is geworden waarbij de WGA-flex en WGA-vast zijn samengevoegd naar één WGA-totaal. Als gevolg van deze wijziging moesten eigenrisicodragers die in 2017 voor de WGA eigenrisicodrager wilde blijven een garantie overleggen voor het WGA-totaal. De verzekeraars hebben deze administratieve last eind 2016 niet aangekund, waardoor voor een selecte groep werkgevers geen of niet tijdig een nieuwe garantie aan de Belastingdienst is overlegd door de verzekeraars. Dit terwijl de desbetreffende werkgevers wel op tijd (in 2016) bij hun garant hadden aangegeven eigenrisicodrager te willen blijven voor WGA-totaal. Als gevolg hiervan zijn deze werkgevers per 1 januari 2017 ongewild weer publiek verzekerd bij de UWV. Voor de desbetreffende werkgevers is het conform wet- en regelgeving gedurende drie jaar niet mogelijk om te kiezen eigenrisicodrager te zijn. De regering is voornemens deze ongewenste gevolgen weg te nemen middels een eenmalige reparatiemogelijkheid.

Bent u één van de werkgevers bij wie bovenstaande situatie zich heeft voorgedaan dan kunt u zich melden bij een apart loket bij het Verbond van Verzekeraars. Indien de reparatieregeling wordt ingevoerd dient u tevens vóór 1 april 2018 een aanvraag eigenrisicodrager in te dienen bij de Belastingdienst. Meer informatie hierover? Neem contact op met onze sociale zekerheidspecialiste Jolanda Jansen via 06 1234 2766 of jjansen@deloitte.nl

Principe akkoord Cao Gemeenten – Terugdringing payrolling in gemeenteland?
Op 4 juli jl. is er een principeakkoord gesloten over de Cao voor Gemeenten door de VNG, FNV Overheid, CNV Overheid en CMHG. Na de ledenraadplegingen die tot en met 27 september 2017 zullen plaatsvinden, wordt de cao definitief. De cao kent een looptijd van 1 mei 2017 tot 1 januari 2019.

Wat ons opvalt is dat in het principeakkoord onder meer is opgenomen dat duurzame inzetbaarheid en werkzekerheid in de sector moet worden bevorderd. Er wordt daarmee gezocht naar een evenwicht tussen (interne) flexibiliteit en zekerheid. In dit kader is een nieuwe afspraak opgenomen over payrolling die per 1 juli 2018 in werking zal treden. Deze afspraak ziet erop dat een medewerker die via ‘payrolling of een vergelijkbare constructie (niet zijnde uitzendkrachten, gedetacheerden vanuit andere (semi) overheidsorganisaties en zzp’ers)’ werkzaam is, op dezelfde wijze moet worden beloond als een medewerker met een vaste aanstelling bij de gemeente, ook op het gebied van sociale zekerheid en pensioen.

Het principeakkoord spreekt in dit kader over een extra toeslag die als gevolg van deze maatregel mogelijk moet worden betaald aan de payrollmedewerker, om zo deze gelijke behandeling te realiseren. Hoewel de exacte uitwerking van deze maatregel nog niet bekend is – een werkgroep moet zich nog gaan buigen over de technische uitwerking ervan – vragen wij ons af hoe deze toeslag kan (en wettelijk gezien mag) worden vormgegeven. Tevens voorzien wij voor organisaties extra werk/uitvoeringsproblemen om te voldoen aan deze nieuwe afspraak. Zodra er meer duidelijkheid is over de nadere uitwerking van deze maatregel informeren wij u hierover.

Heeft u twijfel over wat dit voor uw organisatie gaat betekenen? Of heeft u andere vragen over de inzet van (flexibele) arbeid binnen uw gemeente, neem gerust contact op met een van onze adviseurs. Wij kunnen u helpen met diverse vraagstukken rondom de inzet van arbeid, zowel op juridisch als fiscaal gebied.


3. Vennootschapsbelasting

Nieuwsbrief Post QuickScan
Onlangs hebben wij een nieuwsbrief gepubliceerd omtrent de Post QuickScan (hierna: ‘PQS’). In deze nieuwsbrief wordt voornamelijk in gegaan op het toepassingsbereik van de PQS en de praktische betekenis voor de bepaling van de belastingplicht van grondexploitaties. Op korte termijn wordt nog geen nadere duiding verwacht op het vlak van de QS, PQS, overschottenjurisprudentie. Voor meer informatie verwijzen wij naar onze nieuwsbrief. Mocht u deze nieuwsbrief gemist hebben, dan horen wij dat graag en sturen wij die vanzelfsprekend aan u toe. Uiteraard besteden wij hier ook aandacht aan tijdens onze seminars.

Seminar grondbedrijven
Gedurende dit seminar wordt nader ingegaan op de beoordeling van het winststreven van het grondbedrijf. Hierbij staan we stil bij eerder gepubliceerde QuickScan, de recent gepubliceerde Post QuickScan en de zogeheten overschottenjurisprudentie. Daarnaast behandelen wij de fiscale openingsbalanswaardering en de mogelijke optimalisatiepunten op dit vlak. Ook gaan wij in op de fiscale jaarwinstbepaling en de gevolgen van de Vpb-plicht voor de aangifte Vpb 2016 (en verder), de begroting 2018 en de fiscale positie in de jaarrekening 2017.

Onderstaand treft u een overzicht van de data en locaties:

  • 7 september 2017, Deloitte Zwolle
  • 12 september 2017, Deloitte Rotterdam
  • 13 september 2017, Deloitte Eindhoven
  • 13 september 2017, Deloitte Utrecht

Voor de seminars op 12 en 13 september kunt u zich nog per e-mail aanmelden bij mevrouw Ilona Hoogendoorn (ihoogendoorn@deloitte.nl). Deelname is geheel kosteloos.

Aangifte Vpb 2016
Indien sprake is van een (gedeeltelijke) vennootschapsbelastingplicht moet het overheidsbedrijf een aangifte vennootschapsbelasting indienen. Indien uitstel voor de aangifte is aangevraagd door uw fiscaal adviseur is de uiterlijke datum van indiening 30 april 2018. In de begroting over 2018 dient daarnaast rekening gehouden te worden met eventuele financiële gevolgen van de vennootschapsbelastingplicht.

Renteaftrek / ATAD 2
De EU anti-belastingontwijkingsrichtlijn is definitief aangenomen door de Ecofin Raad. Deze richtlijn bevat minimummaatregelen tegen belastingontwijking. Dit betekent dat ook Nederland deze regels zal moeten gaan implementeren in de nationale wetgeving vanaf 1 januari 2019.
De richtlijn bevat een voorgestelde renteaftrekbeperking die inhoudt dat netto rentekosten van schulden slechts aftrekbaar zijn tot 30% van de EBITDA van de belastingplichtige.
Momenteel bestaat er nog onduidelijkheid of deze maatregel ook impact zal hebben op gemeenten en provincies. Uiteraard volgen wij deze ontwikkelingen op de voet en wij houden u hiervan op de hoogte middels onze nieuwsbrieven.

Artikel GREXpert
In juli 2017 is er een artikel gepubliceerd in de GREXpert omtrent de ontwikkelingen van de Vpb-plicht van een grondbedrijf en wordt een toelichting gegeven op de belangrijkste discussiepunten. Dit tijdschrift is een periodieke publicatie voor bestuurders en professionals die werkzaam zijn op het terrein van gebiedsontwikkeling, grondeconomie, vastgoedbeheer en aanverwante onderwerpen.

Het artikel is online te raadplegen via de volgende link.


4. Meer informatie

Wilt u meer weten over de wijze waarop Deloitte u kan ondersteunen, neemt u dan contact op met uw vaste contactpersoon van Deloitte of één van onderstaande contactpersonen.

Vond u dit nuttig?