Onbeperkte navorderingstermijn erfbelasting heeft geen terugwerkende kracht | Deloitte

Article

Onbeperkte navorderingstermijn erfbelasting heeft geen terugwerkende kracht

Volgens de Hoge Raad blijkt uit de wettekst noch de wetsgeschiedenis dat de wetgever zou hebben beoogd om ook een reeds vervallen bevoegdheid tot navordering te doen herleven.

7 maart 2017

Navorderingsbevoegdheid

Uitgangspunt in het Nederlandse belastingrecht is dat de inspecteur niet zonder meer mag terugkomen op een door hem vastgestelde belastingaanslag. Daarvoor is nodig dat hij beschikt over nieuwe informatie die hij ten tijde van het opleggen van de aanslag nog niet kende en waarmee hij redelijkerwijs ook niet bekend had kunnen zijn. Geen regel is echter zonder uitzonderingen. Wanneer een belastingplichtige namelijk opzettelijk onjuiste informatie aan de inspecteur verstrekt of opzettelijk de juiste informatie achterhoudt, heeft de inspecteur geen nieuw feit nodig om tot navordering over te gaan. Hetzelfde geldt bij redelijkerwijs kenbare fouten.


Navorderingstermijn

Ook de termijn waarbinnen navordering mag plaatsvinden, is in de meeste gevallen begrensd. Als regel vervalt de navorderingsbevoegdheid van de inspecteur vijf jaar na afloop van het tijdvak waarover de belasting is verschuldigd. Voor inkomsten en vermogensbestanddelen die in het buitenland zijn opgekomen of worden gehouden geldt een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. Sinds 1 januari 2012 geldt echter een onbeperkte navorderingstermijn als de aangifte erfbelasting ter zake van een vermogensbestanddeel dat in het buitenland is opgekomen of in het buitenland wordt gehouden niet, onjuist of onvolledig is gedaan.


Edelweiss-route

De achtergrond van deze ingrijpende maatregel is dat de Tweede Kamer bevreesd was voor de zogenoemde ‘Edelweiss-route’, waarbij een buitenlandse executeur-testamentair de opdracht krijgt om bepaalde buitenlandse bezittingen van de erflater na diens overlijden gedurende de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar verborgen te houden voor zowel de erfgenamen als de Belastingdienst, om zo de heffing van erfbelasting te frustreren. Na afloop van deze termijn verleent de executeur-testamentair aan de erfgenamen alsnog de beschikkingsmacht over de buitenlandse bezittingen en de fiscus blijft met lege handen achter. Die ‘route’ wordt met een onbeperkte navorderingstermijn afgesneden.


Onbeperkte terugwerkende kracht?

Een tot voor kort onbeantwoorde vraag was of invoering van de onbeperkte navorderingstermijn ook onbeperkte terugwerkende kracht impliceerde. De belastingdienst meende van wel en legde navorderingsaanslagen op ter zake van verkrijgingen die soms al tientallen jaren geleden hadden plaatsgevonden. Bij de rechtbanken en de gerechtshoven ving de inspecteur echter steevast bot. Deze rechterlijke colleges hielden het ervoor dat de verruiming van de navorderingstermijn per 1 januari 2012 alleen effect had in die gevallen waarin de navorderingsbevoegdheid op die datum nog niet was vervallen. Met andere woorden, de nieuwe wettelijke regeling doet niet een reeds verloren gegane bevoegdheid herleven. Advocaat-Generaal IJzerman heeft zich in zijn conclusie van 15 december 2016 bij het oordeel van de lagere rechters aangesloten.


Hoge Raad

Ook de Hoge Raad heeft zich op 3 maart 2017 met bovenstaande visie verenigd. Hij overweegt dat uit de wettekst niet duidelijk volgt of deze een navorderingsbevoegdheid schept in die gevallen waarin de navorderingstermijn op 1 januari 2012 reeds was verstreken. En uit de wetsgeschiedenis lijkt te kunnen worden opgemaakt dat terugwerkende kracht niet is beoogd door de Tweede Kamer. De Hoge Raad tekent daarbij nog aan dat de door de staatssecretaris bepleitte herleving van de navorderingsbevoegdheid de rechtszekerheid aantast. Een dergelijke uitleg kan alleen worden aanvaard wanneer komt vast te staan dat dit uitdrukkelijk de bedoeling van de (mede)wetgever is geweest. In casu is dat geenszins het geval. Het namens de Staatssecretaris van Financiën ingestelde cassatieberoep is daarom ongegrond.


Bron: Hoge Raad 3 maart 2017, 16/03506, ECLI:NL:HR:2017:356

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen