Ongebruikelijke terbeschikkingstelling bij erfpachtconstructie | Deloitte Nederland

Article

Ongebruikelijke terbeschikkingstelling bij erfpachtconstructie

De waardeaangroei naar volle eigendom hoeft echter pas te worden verantwoord op het moment waarop de werkzaamheid wordt gestaakt.

25 juli 2018

Tbs-vordering

Over het algemeen behoren bezittingen en schulden van een natuurlijk persoon tot de rendementsgrondslag van box 3. Dit is anders indien het gaat om vermogensbestanddelen die aan een verbonden persoon ter beschikking worden gesteld. Voordelen (zoals rente- en huuropbrengsten) en nadelen (zoals afwaarderingsverliezen) die uit deze terbeschikkingstelling voortkomen, worden tegen het progressieve tarief van box 1 in aanmerking genomen.

Als verbonden personen worden aangemerkt de partner en de minderjarige kinderen van de belastingplichtige. Als de belastingplichtige zelf minderjarig is, kwalificeren ook de ouders als zodanig. Meerderjarige kinderen vallen in principe buiten de regeling. Dat is anders wanneer sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling. Daartoe moet worden beoordeeld of het resultaat van het geheel van handelingen zodanig is dat dit zich tussen onafhankelijke derden niet zou voordoen. Recentelijk heeft de Hoge Raad zich opnieuw over deze uitzondering uitgelaten.

Gesplitste aankoop

In de betreffende zaak kocht belanghebbende de blote eigendom van circa 37 hectare grond. Tegelijkertijd kochten zijn vader, moeder en broer (die tezamen door middel van een maatschap een landbouwbedrijf uitoefenden) een erfpachtrecht van 26 jaar op deze gronden. Belanghebbende financierde zijn aankoop met een lening van de maatschap. De rentelasten op de lening en de erfpachtcanon vielen praktisch gezien tegen elkaar weg. Na afloop van het erfpachtrecht zou belanghebbende de grond dan in volle eigendom hebben.

De inspecteur was van mening dat sprake was van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling, omdat een dergelijk samenstel van handelingen zich niet zou voordoen tussen personen die geen familie van elkaar zijn. De Hoge Raad is het daar mee eens, met name omdat de erfpachtgerechtigden (de leden van de maatschap) belanghebbende volledig financierden. Met andere woorden, zij hadden dus ook zelf de volle eigendom van de grond kunnen verkrijgen.

Het gevolg hiervan is dat de blote eigendom op de resultaatsbalans van belanghebbende komt te staan. De volgende vraag die moest worden beantwoord, is wanneer de waardeaangroei van de blote eigendom in aanmerking moet worden genomen. Omdat het erfpachtrecht 26 jaar duurt, wordt de blote eigendom elk jaar een beetje meer waard. De inspecteur was dan ook van mening dat deze waardeaangroei jaarlijks tot het resultaat overige werkzaamheden gerekend moest worden. Hier ging de Hoge Raad echter niet in mee. Ons hoogste rechtscollege oordeelt dat dat goed koopmansgebruik niet verplicht om de waardeaangroei van de blote eigendom gedurende de resterende periode van het gebruiksrecht jaarlijks als winst of resultaat te verantwoorden. Winstneming moet dan uiterlijk plaatsvinden bij staking van de werkzaamheid.


Bron: HR 13 juli 2018, 17/00121, ECLI:NL:HR:2018:1202

Vond u dit nuttig?