Opties uitgeoefend na vertrek uit Nederland: wel belast, maar geen 30%-regeling | Deloitte

Article

Opties uitgeoefend na vertrek uit Nederland: wel belast, maar geen 30%-regeling

Volgens de Hoge Raad kan de 30%-regeling niet meer worden toegepast als de uitoefening van de opties plaatsvindt na vertrek uit Nederland, danwel na het verstrijken van de looptijd van de regeling.

27 september 2017

Opties uitgeoefend na vertrek uit Nederland

Een in de Verenigde Staten gevestigde moedervennootschap heeft werknemers uitgezonden naar Nederland. Tijdens de uitzending maken deze werknemers gebruik van de 30%-regeling. Vervolgens kent de moedervennootschap opties op eigen aandelen toe aan deze werknemers. De opties vesten jaarlijks voor 25%. De werknemers keren, op één na, na de vesting terug naar de V.S. en oefenen vervolgens de rechten uit. Eén van de werknemers blijft in Nederland wonen, maar oefent zijn opties uit na de afloop van de 30%-regeling.

De werkgever draagt loonheffing af over het optievoordeel. Daarbij berekent zij het aan Nederland toerekenbare voordeel aan de hand van het "allocatiebesluit" van de Staatssecretaris van Financiën van 11 februari 2002. Volgens dit besluit mag Nederland belasting heffen over het behaalde optievoordeel, vermenigvuldigd met de volgende factor:

Het aantal werkdagen tussen toekenning en vesting, waarop Nederland heffingsrecht heeft over het normale salaris van de werknemer / het totale aantal werkdagen tussen toekenning en vesting.

De werkgever past de 30%-regeling voorzichtigheidshalve niet toe in de loonadministratie, maar stelt bezwaar en later beroep in tegen de eigen afdracht. In geschil is of Nederland inderdaad heffingsbevoegd is, en zo ja, of de 30%-regeling geldt ten aanzien van het optievoordeel.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad laat de heffing van loonbelasting echter intact. Nederland is heffingsbevoegd over een deel van het optievoordeel, berekend met behulp van het allocatiebesluit. De 30%-regeling is niet toepasbaar als de uitoefening plaats vindt na vertrek uit Nederland, danwel na de afloop van de 30%-regeling. Er is een maand respijt volgens de regelgeving. Het argument van belanghebbende dat het optievoordeel al bij vesting is genoten, toen de werknemers nog in Nederland woonden, heeft de Hoge Raad niet overgenomen.

Verder stelde belanghebbende dat de werknemers ten tijde van de uitoefening van de opties nog steeds te werk waren gesteld door dezelfde werkgever als die hen destijds naar Nederland had uitgezonden. Hierdoor is de tewerkstelling niet beëindigd door het vertrek uit Nederland. De 30%-regeling zou dan toepasbaar blijven, aldus belanghebbende. Er staat immers niet dat het moet gaan om een tewerkstelling in Nederland. De Hoge Raad geeft echter aan dat dit wel zo is bedoeld door de wetgever. Een betere vastlegging in de regelgeving was welkom geweest.

30%-regeling alleen van toepassing op loon uit tegenwoordige dienstbetrekking

De Hoge Raad is niet ingegaan op de stelling van de A-G dat optievoordelen moeten worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. We leiden daaruit af dat de Hoge Raad dat deel van de conclusie van de A-G niet volgt.

De 30%-regeling kan alleen worden toegepast op loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Voor deze kwalificatie is volgens vaste rechtspraak bepalend of de vergoeding ‘ten nauwste verband houdt met bepaalde verrichte arbeid of met de in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en daarvoor een rechtstreekse beloning vormt’. Als een vergoeding slechts meer het algemeen zijn oorzaak vindt in het voorheen verricht zijn van arbeid, is het loon uit vroegere dienstbetrekking. In de onderhavige casus gaat het om voorwaardelijke optierechten waarvan elk jaar na toekenning 25% onvoorwaardelijk is geworden, mits de werknemer in dienst is gebleven. Dit is naar onze mening te duiden als een nagekomen bate uit tegenwoordige dienstbetrekking.


Bron: Hoge Raad 22 september 2017, nr. 16/04864, ECLI:NL:HR:2017:2420

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen