Rechtbank stelt prejudiciële vragen aan Hoge Raad over begrip 'in wezen nieuwbouw' | Deloitte Nederland

Article

Rechtbank stelt prejudiciële vragen aan Hoge Raad over begrip 'in wezen nieuwbouw'

Verschaft Hoge Raad vastgoedsector een dienst wanneer duidelijkheid verschaft wordt over het begrip ‘in wezen nieuwbouw’?

Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt prejudiciële vragen over de uitleg van het criterium ‘in wezen nieuwbouw’. Een verduidelijking van dit criterium door de Hoge Raad is met name van belang voor partijen die betrokken zijn bij de transformatie en/of een ingrijpende verbouwing van bestaand vastgoed.

15 februari 2022

Achtergrond

Een vervaardigd goed is volgens de Hoge Raad voortgebracht indien door de werkzaamheden aan de onroerende zaak ‘in wezen nieuwbouw’ heeft plaatsgevonden. Het is belangrijk om vast te stellen in hoeverre dit aan de orde is, want in het geval van ‘in wezen nieuwbouw’ is de levering van de vervaardigde onroerende zaak belast met 21% btw, en kan de samenloopvrijstelling voor de overdrachtsbelasting worden toegepast. Wanneer de werkzaamheden aan de onderzoekende zaak niet hebben geleid tot ‘in wezen nieuwbouw’ is de levering van het onderliggende vastgoed normaal gesproken vrijgesteld van btw waardoor de verkrijging is belast met overdrachtsbelasting.

Prejudiciële vragen

Volgens de rechtbank heeft in de rechtspraak tot op heden geen eenvormige invulling van het begrip ‘in wezen nieuwbouw’ plaatsgevonden en biedt ook de recente conclusie van A-G Ettema in een zaak over een transformatie van een wollenstoffenfabriek niet de gewenste duidelijkheid.

De Rechtbank verzoekt de Hoge Raad de volgende vragen door middel van een prejudiciële beslissing te beantwoorden:

  1. Dient de beoordeling of na (verbouwings)werkzaamheden aan een onroerende zaak ‘in wezen nieuwbouw’ is gerealiseerd plaats te vinden aan de hand van de volgende criteria:
    - wijzigingen in de bouwkundige identiteit/uiterlijke herkenbaarheid;
    - wijzigingen in de bouwkundige constructie;
    - wijzigingen in functie in de zin van aanwendingsmogelijkheden;
    - de grootte van de gedane investeringen en/of de door verbouwing gerealiseerde meerwaarde;
    dan wel (mede) aan de hand van andere criteria?
  2. Welk(e) van de onder 1 bedoelde criteria moet(en) als noodzakelijke voorwaarde(n) voor ‘in wezen nieuwbouw’ worden aangemerkt?
  3. Welk (relatief) gewicht moet in zijn algemeenheid worden toegekend aan de in vraag 1 bedoelde criteria?

Als de Hoge Raad besluit antwoord te geven op de vragen van de Rechtbank zal dit normaal gesproken tot meer duidelijkheid en daarmee meer rechtszekerheid leiden voor de praktijk. Echter ook dan verwachten wij dat er enige mate van onduidelijkheid zal blijven bestaan omdat de transformatie en verbouwing van vastgoed een casuïstisch karakter heeft.

Did you find this useful?