Rechter mag niet langer oordelen over termijnoverschrijding in eerdere fase | Deloitte Nederland

Article

Rechter mag niet langer oordelen over termijnoverschrijding in eerdere fase

De Hoge Raad bepaalt dat een rechter niet langer ambtshalve de tijdigheid van een bezwaar of beroep in een eerdere fase van de procedure mag beoordelen.

21 juli 2021

Postproblemen

Belanghebbende is erfgenaam van haar zus. Op 27 april 2017 is aan haar een aanslag erfbelasting opgelegd. De gemachtigde zegt op 2 juni 2017, dus nog binnen de wettelijke termijn van zes weken, pro forma bezwaar te hebben aangetekend. Dit stuk is echter nooit door de inspecteur ontvangen. Op 28 juni 2017 heeft de Inspecteur wel de schriftelijke motivering van het bezwaar ontvangen. De Inspecteur heeft het bezwaar vervolgens niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, omdat belanghebbende niet heeft aangetoond dat het bezwaar tijdig ter post is bezorgd.

Voor de Rechtbank licht belanghebbende toe dat de gemachtigde niet gewoonlijk post verstuurt en daarom geen registratie bijhoudt. De Rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat het pro forma bezwaarschrift niet tijdig zou zijn verzonden en oordeelt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Inhoudelijk wordt belanghebbende echter in het ongelijk gesteld. De aanslag erfbelasting is volgens de Rechtbank niet te hoog vastgesteld.

Termijnoverschrijding

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het hoger beroep van de inspecteur, dat zich richtte tegen het alsnog ontvankelijk verklaren van het bezwaar, kwam echter te laat binnen. Desondanks oordeelde het hof ambtshalve dat belanghebbende niet voldoende heeft bewezen dat het pro forma bezwaarschrift (op tijd) is verzonden. Volgens het Hof heeft de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk geacht.

Koerswijziging

De Hoge Raad erkent dat bestuursrechters in de praktijk niet alleen ambtshalve een oordeel velden over de ontvankelijkheid van het bij hen ingediende beroep, maar vaak ook de tijdigheid van een bezwaar- of beroepschrift in een vorige fase van de procedure beoordeelden. Deze in het verleden door de Hoge Raad gesanctioneerde praktijk is echter niet langer toegestaan. De rechter moet zich voortaan beperken tot ambtshalve beoordeling van de termijn die geldt voor zijn eigen instantie. De ontvankelijkheid in een vorig stadium van de procedure kan alleen nog aan de orde komen als een van de procespartijen dit uitdrukkelijk als geschilpunt opwerpt. De Hoge Raad ziet geen rechtsgrond in art. 6:7 tot en met 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht die dwingt om hierover ambtshalve te oordelen. In dit geval was het hoger beroep van de inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het bezwaar te laat ingediend. Het hof was op dit punt daarom aan het oordeel van de rechtbank gebonden.

Gemeenschappelijke aanpak

Het arrest van de Hoge Raad komt overigens niet uit de lucht vallen. Op 9 juli 2021 oordeelde een zogenoemde gemengde kamer, bestaande uit de presidenten van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) en de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) al in vergelijkbare zin (ECLI:NL:CRVB:2021:1500). Er is dus sprake geweest van overleg tussen de hoogste Nederlandse bestuursrechters. En dat heeft geresulteerd in een nieuwe lijn ten aanzien van het ambtshalve toetsen van de ontvankelijkheid van een ingesteld rechtsmiddel die geldt voor de gehele bestuursrechtspraak.


Bron: HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153

Did you find this useful?