Rechtmatigheid van selectieregels ter voorkoming van systeemfraude | Deloitte Nederland

Article

Rechtmatigheid van selectieregels ter voorkoming van systeemfraude

De Hoge Raad heeft richtlijnen gegeven hoe rechters om moeten gaan met de situatie waarin een belastingplichtige stelt dat zijn aangifte is geselecteerd voor onderzoek op basis van in strijd met de privacywetgeving verkregen gegevens.

15 december 2021

Opsporen en bestrijden van systeemfraude

De werkwijze van de belastingdienst met betrekking tot opsporing en bestrijding van systeemfraude, beter bekend onder de naam ‘Project 1043’, heeft grote commotie veroorzaakt in zowel politiek als samenleving. Het systeem bleek namelijk niet te voldoen aan de privacywetgeving (AVG). Bovendien was volkomen onduidelijk op welke wijze de belastingdienst de verkregen gegevens gebruikte. De staatssecretaris zag zich in de loop van 2020 dan ook genoodzaakt om het project stop te zetten.

Inmiddels is ‘Project 1043’ ook doorgedrongen tot de fiscale rechtspraak. De directe aanleiding was een procedure over de geclaimde persoonsgebonden aftrek in een aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur had daarover vragen gesteld aan de belastingplichtige en heeft de aangifte vervolgens gecorrigeerd. Hof Den Haag oordeelde dat de inspecteur deze correcties terecht heeft aangebracht en niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.

Belanghebbende heeft cassatieberoep ingesteld tegen deze uitspraak, en daarin onder meer de in rekening gebrachte belastingrente en de toepassing van ‘Project 1043’ aan de orde zijn gesteld.

Conclusie A-G

A-G Niessen concludeerde eerder dat de belastingrechter bevoegd is om te beoordelen of een belastingaanslag te hoog is vastgesteld als gevolg van het gebruik van gegevens die in strijd met de geldende privacywetgeving zijn verkregen. Profilering van belastingplichtigen, zoals die plaatsvond onder Project 1043, is naar zijn mening in strijd met de privacywetgeving (AVG), omdat de Algemene wet inzake rijksbelastingen daartoe niet specifiek de bevoegdheid verschaft. Indien zou komen vast te staan dat die profilering de oorzaak is geweest voor het selecteren van een aangifte voor controle, meent A-G Niessen dat bewijsuitsluiting moet plaatsvinden voor wat betreft de met dit onderzoek verkregen gegevens.

Hoge Raad

Inmiddels heeft ook de Hoge Raad uitspraak gedaan in deze zaak. Ons hoogste rechtscollege stelt voorop dat belanghebbende pas in cassatie voor het eerst over de werkwijze van de belastingdienst heeft geklaagd. Dat is te laat, omdat daartoe een onderzoek van feitelijke aard nodig is, waarvoor in cassatie geen plaats is. Ook de klacht over de in rekening gebrachte belastingrente treft geen doel. De Hoge Raad wijst erop dat de inspecteur over een veel kortere periode belastingrente in rekening heeft gebracht dan uit de wet voortvloeit. Indien het gehanteerde rentepercentage (4%) al in strijd is met art. 1 EP EVRM, dan is belanghebbende daarvoor ruim voldoende gecompenseerd.

Richtlijnen

Vervolgens geeft de Hoge Raad in een overweging ten overvloede algemene richtlijnen hoe rechters moeten omgaan met klachten van andere belastingplichtigen over ‘Project 1043’. De Hoge Raad stelt voorop dat indien een belastingplichtige een aftrekpost opvoert in de aangifte en vervolgens bij de aanslagregeling blijkt dat hij daar geen recht op heeft, de inspecteur niet onrechtmatig handelt door ook aangiften over eerdere of latere jaren te controleren.

De rechtmatigheid van een besluit om een aangifte te controleren wordt in principe niet aangetast door de manier waarop informatie over de belastingplichtige is verwerkt. Dat kan anders zijn als de controle van de aangifte voortvloeit uit een risicoselectie of een gebruik van persoonsgegevens in een databank op basis van een criterium dat leidt tot schending van grondrecht, zoals het verbod op discriminatie. Als de rechter dit vaststelt, kan hij daaraan de conclusie verbinden dat de controle heeft plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die bevindingen onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Als de belastingplichtige gemotiveerd stelt dat zich zo’n uitzonderlijke situatie heeft voorgedaan, zal de inspecteur de benodigde gegevens moeten verstrekken om dit te kunnen beoordelen.

De Hoge Raad voegt daar nog wel aan toe dat een schending van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer door een gegevensverwerking van de belastingdienst die op onderdelen in strijd is met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), in het algemeen onvoldoende is om die conclusie te rechtvaardigen. Dit enkele feit kan niet leiden tot verlaging van een op zichzelf bezien juist berekende aanslag.


Bron: HR 10 december 2021, 20/02304, ECLI:NL:HR:2021:1748

Did you find this useful?