Staatssecretaris beantwoordt vragen over dividendbelastingplicht coöperaties

Article

Staatssecretaris beantwoordt vragen over dividendbelastingplicht coöperaties

In reactie op de door de Tweede Kamer gestelde vragen verschaft de bewindsman meer duidelijkheid over de invulling van de inhoudingsplicht voor houdstercoöperaties. In de eerste helft van 2017 volgt een publieke consultatie.

21 december 2016

English version

Prinsjesdagbrief

De coöperatie is in beginsel niet onderworpen aan de dividendbelasting, terwijl de NV/BV dat wel is. Volgens de staatssecretaris is het toenemende gebruik van de coöperatie in internationale structuren aanleiding geweest voor een onderzoek naar de verschillende behandeling van deze ondernemingsvormen. Om het verschil in behandeling tussen de coöperatie en de BV/NV op te heffen heeft de staatssecretaris op Prinsjesdag een eerste oplossingsrichting gepresenteerd. In reactie op Tweede Kamervragen heeft de bewindsman recentelijk meer inhoudelijk gereageerd op deze oplossingsrichting.


Voorstel

In de Prinsjesdagbrief suggereert de staatssecretaris om de houdstercoöperatie inhoudingsplichtig te maken voor de dividendbelasting door middel van fiscale gelijkstelling van de houdstercoöperatie met een kapitaalvennootschap. Voorts acht het kabinet het gewenst de inhoudingsvrijstelling voor deelnemingsdividenden in ondernemingsstructuren uit te breiden naar deelnemingsverhoudingen waarbij de moedermaatschappij is gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. Als randvoorwaarde bij het voorstel geldt dat het reële coöperatieve bedrijfsleven niet door het wetsvoorstel mag worden geraakt.


Recente uitlatingen

In antwoord op door de Tweede Kamer gestelde vragen gaat de staatssecretaris dieper in op het toepassingsbereik van de nieuwe inhoudingsplicht voor houdstercoöperaties. Het idee is dat een houdstercoöperatie wordt gedefinieerd als een coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheden voor ten minste 70% bestaan uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van verbonden lichamen en personen. De inhoudingsplicht gaat daarbij gelden voor kwalificerende lidmaatschapsrechten, dat wil zeggen belangen van ten minste 5% in de houdstercoöperatie. Een tegenbewijsregeling voor de kwalificatie als houdstercoöperatie wordt waarschijnlijk niet ingevoerd.

Om te voorkomen dat met de 5%-drempel wordt gestructureerd, zal worden geregeld dat een lid ook samen met verbonden personen of lichamen een kwalificerend lidmaatschapsrecht kan hebben. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij het nieuwe begrip ‘samenwerkende groep’, zoals dat recentelijk is geïntroduceerd in de winstdrainagewetgeving (artikel 10a Wet Vpb 1969).

In eerste instantie heeft het kabinet overwogen om coöperaties integraal inhoudingsplichtig te maken voor de dividendbelasting en vervolgens een uitzondering te creëren voor reële coöperaties. Omdat het eenvoudiger bleek om een houdstercoöperatie te definiëren, is hier uiteindelijk echter niet voor gekozen. Een bijkomend voordeel hiervan is dat reële coöperaties niet met de bewijslast worden opgezadeld dat zij voldoen aan de voorwaarden om voor de uitzondering op de hoofdregel in aanmerking te komen. Afschaffing van de dividendbelasting ligt volgens de staatssecretaris niet voor de hand, omdat dit tot een budgettaire derving van circa € 1,6 miljard zou leiden.


Invoering

Er wordt naar gestreefd om het wetsvoorstel in de eerste helft van 2017 via internet ter consultatie aan te bieden. Daarbij zal het kabinet van de mogelijkheid gebruik maken om open vragen te stellen bij nog te maken keuzes in de wetgeving. Iedereen kan hier op reageren. Het kabinet heeft zich ten doel gesteld om de maatregelen per 1 januari 2018 in werking te laten treden.


Bron: Antwoorden naar aanleiding van schriftelijk overleg over coöperaties en dividendbelasting, 2016D40734

Vond u dit nuttig?